moeten betekenis & definitie

moeten - onregelmatig werkwoord
uitspraak: moe-ten

1. verplicht zijn
♢ik moet naar school
1. dat moest een keer gebeuren
[het was te verwachten]
2. ik moet op voor het examen
[aan het examen meedoen]
3. dat moet je zelf weten
[dat mag je zelf uitmaken]
4. ze moeten heel aardig zijn
[men zegt dat]
5. ik moet nodig
[naar de WC]
6. zij moest eraan geloven
[zij was aan de beurt]
2. willen of wensen
♢moet je nog koffie?

Onregelmatig werkwoord: moe-ten
ik moet
jij/u moet
hij/zij moet
wij/zij/jullie moeten
ik/jij/u/hij/zij moest
wij/zij/jullie moesten
hij heeft gemoeten

Synoniemen
dienen, zullen

Tegenstellingen
mogen