Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

klaar

betekenis & definitie

klaar - bijvoeglijk naamwoord

1. er hoeft niets meer aan gedaan te worden
al het werk is klaar
1. al is het nog zo kant en klaar, het hapert toch wel hier en daar (TB)
[er mankeert altijd wel iets aan]
2. klaar is Kees
[het is af]
3. is het nu klaar?
[wil je er nu mee stoppen?]
4. ik ben nog niet klaar met je
[je bent nog niet van me af]
5. klaar ben je!
[het is wat moois!]
6. daar ben ik mooi klaar mee
[daar zit ik lelijk mee te kijken]
7. van zessen klaar zijn
[goed kunnen aanpakken]
2. helder en duidelijk
♢ dat is klare taal
1. zo klaar als een klontje
[heel erg duidelijk]
2. klaar wakker
[helemaal wakker]
3. zonneklaar
[helemaal duidelijk]
4. zo klaar als koffiedik
[helemaal niet duidelijk]
5. klip en klaar
[overduidelijk]
3. goed te snappen
♢ is het jullie nu klaar na deze uitleg?
4. helemaal doorzichtig
♢ na de zuivering ontstond een klare vloeistof
1. klare wijn schenken
[nergens geheimzinnig over doen]

Algemene uitdrukkingen:
1. daar ben je mooi klaar mee
[blijk van medeleven als iemand in een nare situatie zit]
Bijvoeglijk naamwoord: klaar
... is klaarder dan ...
het klaarst
de/het klare ...

Synoniemen
af, begrijpelijk, doorzichtig, duidelijk, gedaan, gereed, helder, paraat, verklaarbaar, voltooid

Tegenstellingen
onaf, onvoltooid