kaarten - regelmatig werkwoord
uitspraak: kaar-ten
1. een spel spelen met speelkaarten
♢ op dinsdag gaan we altijd kaarten
Regelmatig werkwoord: kaar-ten
ik kaart
jij/u kaart
hij/zij kaart
wij/zij/jullie kaarten
ik/jij/u/hij/zij kaartte
wij/zij/jullie kaartten
hij heeft gekaart
kaartend, kaartende
Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.
Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.