Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

spel

betekenis & definitie

spel - zelfstandig naamwoord

1. bezigheid met regels, vaak een wedstrijd
kaarten is een spel
1. ze gaan op in hun spel
[zien of horen verder niets]
2. een spelletje met iemand spelen
[hem voor de gek houden]
3. hem buiten spel zetten
[niet mee laten doen]
4. er was bedrog in het spel
[dat speelde een rol]
5. veel op het spel zetten
[veel wagen]
6. hoog spel spelen
[iets riskants doen]
7. een spel van kat en muis
[tussen een machtige en een ondergeschikte]
8. ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefde
[zeg je als iemand net een spelletje heeft verloren]
9. het spel in handen hebben
[de zaken kunnen regelen zoals je wilt]
10. het gaat om het spel, niet om de knikkers
[het gaat om het plezier, niet om het voordeel]
2. wat je nodig hebt voor een spel
♢ waar is het schaakspel?

Algemene uitdrukkingen:
1. de wind heeft vrij spel
[wordt door niets tegengehouden]
2. in het spel zijn
[in het geding zijn]
3. iets op het spel zetten
[het ergens bij wagen]
Zelfstandig naamwoord: spel
het spel
de spelen of spellen
het spelletje