Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

gaan

betekenis & definitie

gaan - onregelmatig werkwoord

1. je verplaatsen of voortbewegen
we gaan naar Amsterdam
1. ervandoor gaan
[wegvluchten]
2. uit de weg gaan
[opzij stappen]
3. hem zijn gang laten gaan
[je niet met hem bemoeien]
2. ergens mee beginnen
♢ we gaan afwassen
1. in staking gaan
[een staking beginnen]
3. hoe het gebeurt
♢ alles gaat goed
4. mogelijk zijn of lukken
♢ gaat het?
5. hoe het is
♢ het gaat goed met me
1. hoe gaat het? het gaat wel.
[ik maak het redelijk]
6. de leiding hebben
♢ wie gaat hier over het geld?
7. wat het behandelt
♢ dit boek gaat over computers
8. geluid laten horen
♢ de telefoon gaat

Algemene uitdrukkingen:
1. het gaat haar om dat horloge
[ze wil dat horloge hebben]
2. hij gaat er flink tegenaan
[werkt hard]
3. hij gaat eraan
[hij wordt gedood]
4. met iemand gaan
[verkering met hem of haar hebben]
5. met iemand naar bed gaan
[met hem neuken]
Onregelmatig werkwoord: gaan
ik ga
jij/u gaat
hij/zij gaat
wij/zij/jullie gaan
ik/jij/u/hij/zij ging
wij/zij/jullie gingen
hij is gegaan

Synoniemen
verlopen