Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

grond

betekenis & definitie

grond - zelfstandig naamwoord

1. bodemlaag waarin planten en bomen groeien
er zit te weinig grond in deze plantenbak
1. groente van de koude grond
[niet in de kas gekweekt]
2. oppervlakte van de aarde
♢ er is geen stoel meer, ga maar op de grond zitten
1. de begane grond
[de onderste woonlaag]
2. iets uit de grond stampen
[het heel snel maken]
3. uit de grond van mijn hart
[met volle overtuiging]
4. hem te gronde richten
[hem vernietigen]
5. aan de grond zitten
[geen geld meer hebben]
6. het van de grond krijgen
[erin slagen het te organiseren]
7. het met de grond gelijkmaken
[het afbreken]
8. als aan de grond genageld bleef hij staan
[hij kon zich van schrik niet meer bewegen]
9. ik ging door de grond
[ik schaamde me diep]
10. het plan de grond in boren
[het afkraken]
11. met beide benen op de grond staan
[nuchter zijn]
12. geen poot aan de grond krijgen
[geen enkele kans]
13. de grond wordt me te heet onder de voeten
[ik ga ervandoor, want het wordt me te riskant]
14. stille waters hebben diepe gronden
[wie het minst spreekt is vaak het meest interessant]
3. waarom je het doet of vindt
♢ die bewering mist elke grond
1. uit de grond van mijn hart
[omdat ik het echt meen]
2. op grond van
[om reden van, wegens]
3. een grond van waarheid
[een waar element in een bewering]
4. in de grond van de zaak
[in feite, eigenlijk]

Zelfstandig naamwoord: grond
de grond
de gronden
het grondje

Synoniemen
aarde, argument, bodem, motief, overweging, reden