geschil betekenis & definitie

geschil - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ge-schil

1. toestand van kwaad zijn op elkaar
er is een geschil tussen die twee bedrijven

Zelfstandig naamwoord: ge-schil
het geschil
de geschillen
het geschilletje

Synoniemen
bonje, conflict, heibel, meningsverschil, onenigheid, ongenoegen, onvrede, ruzie, stront, twist, verdeeldheid, wrijving

Tegenstellingen
genoegen, harmonie