Wat is de betekenis van Geschil?

2019
2022-09-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

geschil

geschil - Zelfstandignaamwoord 1. geweldloos conflict, vaak politiek of diplomatiek met juridische aspecten. Het geschil tussen België en Nederland inzake de IJzeren Rijn is vooralsnog niet beslecht.

Lees verder
2018
2022-09-28
Centraal Bureau voor de Statistiek

Begrippenlijsten van het CBS

Geschil

Gemeenschappelijke noemer voor een werkstaking, een werkonderbreking, een uitsluiting van werknemers door de werkgever, of voor een reeks van meerdere samenhangende werkstakingen, werkonderbrekingen of uitsluitingen. Toelichting De eenheid van telling in de Statistiek Werkstakingen. Een geschil kan meerdere geschilpunten omvatten. Geschilpunten kun...

Lees verder
2018
2022-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

geschil

geschil - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-schil 1. toestand van kwaad zijn op elkaar ♢ er is een geschil tussen die twee bedrijven Zelfstandig naamwoord: ge-schil het geschil de gesc...

Lees verder
2009
2022-09-28
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

geschil

→ claim

1973
2022-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

geschil

o. (-len), verschil, onenigheid, twist tussen twee partijen over een bepaald punt: ik begrijp niets van politieke geschillen; een hangend een twist die nog onbeslist is.

1952
2022-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Geschil

s.n., (for)skeel (it), aksje, kwestje.

1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

geschil

o. geschillen (twist, onenigheid over): een geschil rijst (op), doet zich op; een hangend geschil; met iem. in geschil raken; een geschil beslechten, vereffenen, bijleggen; zie prejudicieel. geschilpunt o. -en (punt, waarover geschil bestaat).

Lees verder
1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

geschil

(gə'schil) o. (-len; -letje) [~ (ver)schillen] onenigheid, twist: een tussen twee personen doet zich voor, rijst (op); een hebben; een hangend -; met iemand in raken, in een gewikkeld worden, zijn; een beslechten, beslissen, bijleggen, vereffenen.

1898
2022-09-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Geschil

GESCHIL, o. (-len), verschil, oneenigheid, twist tusschen twee partijen over een bepaald punt, zij hebben geschil; ik versta niets van politieke geschillen; een hangend geschil, een twist die nog onbeslist is; hij poogde het geschil bij te leggen (te beslechten), er een einde aan te maken, de partijen te verzoenen. GESCHILLETJE, o. (, s).

1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Geschil

Geschil, o. (-len), verschil, oneenigheid, twist. *-LIG, bn. (-er, -st), oneenig. *-PUNT, o. (-en), iets waarover getwist wordt.

Lees verder