Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

kwaad

betekenis & definitie

kwaad - bijvoeglijk naamwoord

1. wat schade veroorzaakt en/of niet in orde is
deze hond doet geen kwaad
1. de goeden moeten onder de kwaden lijden
[de onschuldigen moeten ook mee lijden]
2. hij meent het zo kwaad niet
[verontschuldiging voor iemand die onaardig doet]
3. te kwader trouw zijn
[oneerlijk zijn]
2. in slechte stemming waarvan je anderen de schuld geeft
♢ hij was erg kwaad op de man die hem aanreed
1. in een kwaad daglicht staan
[slecht bekend staan]
2. een kwade dronk hebben
[agressief zijn als je dronken bent]
3. een kwaad geweten hebben
[een gevoel van schuld]
4. zo goed en zo kwaad als het gaat
[zo goed als in deze situatie mogelijk is]
5. aan iemand een kwaaie hebben
[een geduchte tegenstander]
6. hij is de kwaadste niet
[hij is best vriendelijk]
7. met hem is het kwaad kersen eten
[met hem kun je beter niet te maken krijgen]
8. de kwaaie pier zijn
[altijd de schuld krijgen]
3. heel erg boos
♢ kwaad liep hij weg
1. kwaad bloed zetten
[boosheid opwekken]
2. iemand een kwaad hart toedragen
[gunstig over hem denken]
3. kwade tongen beweren....
[roddelaars vertellen...]

Algemene uitdrukkingen:
1. kwade tijden
[tijden vol tegenspoed]
Bijvoeglijk naamwoord: kwaad
... is kwader dan ...
het kwaadst
de/het kwade ...
iets kwaads

Synoniemen
boos, driftig, kribbig, lelijk, nijdig, razend, verbolgen, verstoord, woedend, woest

Tegenstellingen
blij, blijmoedig, opgeruimd, opgewekt, verheugd, vrolijk