Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

gast

betekenis & definitie

gast - zelfstandig naamwoord

1. wie is uitgenodigd
er kwamen veel gasten op het feest
2. bezoeker van café, restaurant of hotel
♢ hoeveel gasten logeren in dit hotel?
1. zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten
[als je iets slechts van iemand denkt, heb je zelf die eigenschap vaak ook]

Algemene uitdrukkingen:
1. dat is een rare gast!
[een rare figuur]
Zelfstandig naamwoord: gast
de gast
de gasten
het gastje

Synoniemen
genodigde