Wat is de betekenis van Gast?

2020
2022-07-07
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

gast

1) (1979) (euf.) klant van een escortdame. • De dame in haar verzet zich uit alle macht tegen het idee een “ordinaire” hoer te zijn; welnee, zij is toch zoiets als “gezelschap”, of, om het in die kringen gebruikelijke jargon te bezigen, een “hostess” dan wel “escort guide”, in veel geva...

Lees verder
2019
2022-07-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gast

gast - Zelfstandignaamwoord 1. wie ergens ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld wordt 2. klant in een hotel, restaurant e.d. 3. wie uitgenodigd wordt voor een mediaprogramma de centrale gast in een talkshow 4. (computer) iemand zonder eigen account op een comput...

Lees verder
2018
2022-07-07
Centraal Bureau voor de Statistiek

Begrippenlijsten van het CBS

Gast

Een bezoeker die één of meer nachten achtereen in een logiesaccommodatie verblijft. Toelichting Navolgende personen tellen niet mee voor de statistiek logiesaccommodaties: Vaste gasten, d.w.z. bezoekers die meer dan twee maanden in een ...

Lees verder
2018
2022-07-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gast

gast - zelfstandig naamwoord 1. wie is uitgenodigd ♢ er kwamen veel gasten op het feest 2. bezoeker van café, restaurant of hotel ♢ hoeveel gasten logeren in dit hotel? 1. zoals...

Lees verder
2017
2022-07-07
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Gast

Gast - ervaren, geroutineerde matroos. Voert welomschreven taken uit. Zo kan men spreken over een bramgast, een kabelgast, een schiemansgast enz. Ook in het Du.

2015
2022-07-07
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

gast

jongen, kwajongen, kerel (informeel) Die eerste zomer heb ik hem wel een beetje op afstand gehouden. Ik had al een zoontje, ik begreep niet waarom zo'n jonge gast geïnteresseerd was in mij. (De Morgen) Maar er zijn ook meer dan genoeg goeie sloebers bij. Olav helpt mij ook met mijn vuilbakken en hij ruimt de sneeu...

Lees verder
2004
2022-07-07
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

gast

Een minder ordinaire benaming voor een patiënt, hulpzoeker (bijvoorbeeld een drugsverslaafde) of ontvanger van welzijnszorg. Enigszins vergelijkbaar met cliënt*. Het woord klinkt alleszins positiever dan patiënt of hulpzoeker omdat het nergens suggereert dat de betrokkene afhankelijk is. Daar is Frans Koopmans, werkzaam bij De Hoop, een stichting v...

Lees verder
1998
2022-07-07
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Gast

een - en een vis blijven maar drie dagen fris gastvrijheid mag nooit te lang du-ren. Deze stokoude uitdr. (althans in andere talen) vinden we al bij de Romeinse dichter Plautus, Gloriosus1.741: ‘nam hospes nullus tam in amici hospitium devorti potest, quin, ubi triduom continuom fuerit, iam adiosus siet.’ Ook bij Beem 1970: ‘Gescht un fisch blei- b...

Lees verder
1980
2022-07-07
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Gast

Het woord gast is van zeer oude familie. In het Sanskriet, de oudste Indo-Europese taal die wij kennen, bestond een werkwoord ghas dat eten betekende. Een gast is dus een eter en in het bijzonder iemand die aan de dis aanzit zonder tot de familie te behoren, een vreemdeling dus. Deze betekenis heeft gast nog in de samenstelling gasthuis dat oorspro...

Lees verder
1973
2022-07-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gast

m. (-en), 1. iemand die men, m.n. na hem daartoe uitgenodigd te hebben, aan zijn tafel laat meeëten of anderszins onthaalt, of wel die men gedurende enige tijd in zijn huis opneemt en huisvesting verleent, logeergast: gasten uitnodigen, ontvangen, hebben; bij uitbreiding ook met betrekking tot de plaats waar iemand logeert: er zijn dit jaar ve...

Lees verder
1969
2022-07-07
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Gast

Gast - zie M. Glebocki.

1952
2022-07-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gast

s., gast, iter; -en ontvangen, (yn)gastje; tegaan, út to gast gean, ût to tsjokiten gean, (út)gastje.

1937
2022-07-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gast

o. en v. -en (uit het Lat. hostis = vreemdeling, vijand: 1 iem., die men aan zijn dis en bij uitbr. op feestelijke wijze onthaalt; logé; 2 iem., die in een hotel zijn intrek heeft genomen, aan een openbare tafel eet; 3 toneel: vreemde, niet tot het vaste gezelschap behorende toneelspeler of -speelster; 4 jonkman, borst inz. met flink, kloek...

Lees verder
1933
2022-07-07
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gast

Gast - Peter, pseud. van Heinrich Köselitz, Duitsch componist; * 1854 te Annaberg (Saksen), † 1918 aldaar. G. is vnl. bekend geworden door zijn vriendschap met Nietzsche, welke laatste hem als componist zeer overschatte; G. was in zijn muziek bewust anti-Wagneriaansch en streefde den Ital. operastijl van zijn tijd na. Werken: Der Lö...

Lees verder
1916
2022-07-07
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gast

Gast - (Peter), pseudoniem voor Heinrich Köselitz, toonkunstenaar, studeerde aan het Conservatorium te Leipzig, componeerde eenige opera’s, en heeft zijn bekendheid minder daaraan dan aan Friedr. Nietzsche te danken. Laatstgenoemde, wiens muzikale oordeel niet boven bedenking mag worden geacht, zag in G. een groot talent.

1898
2022-07-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gast

Het begrip gast heeft 3 verschillende betekenissen: 1. gast - GAST, m. en v. (-en), iem. die, na daartoe uitgenoodigd te zijn, aan tafel medeëet; dien men feestelijk ontvangt; dien men gedurende eenigen tijd in zijn huis opneemt en huisvesting verleent, logeergast: gasten uitnoodigen, ontvangen, hebben; — een welkome gast, dien men...

Lees verder
1898
2022-07-07
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Gast

zie Dischgenoot, zie Garf.

1573
2022-07-07
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Gast

Conuiua, hospes, qui hospitio excipitur, diuersor. ger gast: ang gest

Lees verder