Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

flink

betekenis & definitie

flink - bijvoeglijk naamwoord

1. nogal groot
dat is al een flinke jongen
2. erg, zeer
♢ het was flink koud buiten
1. dat zal een flinke duit kosten
[heel veel]
2. we gaan er flink tegenaan
[gaan stevig aanpakken]
3. Ragnar is een flinke eter
[kan veel eten]
4. Isabella is flink uit de kluiten gewassen
[groot en stevig]
5. je moet er wel flink aan trekken
[goed doorwerken bij de studie]
6. iemand flink de waarheid zeggen
[precies zeggen wat hij verkeerd heeft gedaan]
7. flink wat
[behoorlijk veel]
3. wie krachtig, slim en sterk is
♢ Edu is flink genoeg voor deze uitdaging
4. wie zich goed houdt als hij iets vervelends meemaakt
♢ hij is erg flink geweest

Bijvoeglijk naamwoord: flink
... is flinker dan ...
het flinkst
de/het flinke ...
iets flinks

Synoniemen
kloek, lelijk, mans, stevig

Tegenstellingen
klein, mini