eindigen betekenis & definitie

eindigen - regelmatig werkwoord
uitspraak: ein-di-gen

1. er komt een eind aan, het gaat voorbij
♢ de voorstelling is al geëindigd
2. niet meer doorgaan
♢ de school eindigt om vier uur
3. als laatste laten verschijnen
♢ de voorstelling eindigt met een trapeze-act

Regelmatig werkwoord: ein-di-gen
ik eindig
jij/u eindigt
hij/zij eindigt
wij/zij/jullie eindigen
ik/jij/u/hij/zij eindigde
wij/zij/jullie eindigden
hij is geëindigd
de/het/een geëindigde ....

Synoniemen
aflopen, afnokken, ophouden, staken, stoppen, uitscheiden, verstrijken

Tegenstellingen
aanbreken, beginnen, intreden, inzetten, openen, opstarten, starten