dak betekenis & definitie

dak - zelfstandig naamwoord

1. wat een huis of auto bedekt
er zit een vogel op het dak
1. het van de daken schreeuwen
[het overal vertellen]
2. iemand op je dak krijgen
[hem onverwacht op bezoek krijgen]
3. geen dak boven je hoofd hebben
[geen huis om in te wonen]
4. onder dak zijn
[huisvesting gevonden hebben]
5. een dak boven je hoofd hebben
[een woning hebben]
6. uit je dak gaan
[uitzinnig worden van woede of blijdschap]
7. ga nou gauw op het dak zitten!
[ik geloof je niet; ik wil het niet]
8. dat valt me koud op het dak
[dat is een onaangename verrassing, het overvalt me]
9. het gaat van een leien dakje
[heel gemakkelijk en vlot]
10. de mussen vallen dood van het dak
[het is heel warm]
11. iemand iets op zijn dak schuiven
[hem ermee opzadelen]
12. iemand op je dak krijgen
[met iemand te maken krijgen zonder dat je dat wilt]

Zelfstandig naamwoord: dak
het dak
de daken
het dakje