Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

boek

betekenis & definitie

boek - zelfstandig naamwoord

1. bedrukte bladen papier met een band eromheen
♢ ken jij het boek van de Koran?
1. hij gaat zijn boekje te buiten
[doet of zegt dingen die niet mogen]
2. ik zal eens een boekje over hem open doen
[slechte dingen over hem vertellen]
3. een open boek zijn
[geen geheimen hebben]
4. hij staat hoog te boek
[ze denken positief over hem]
5. het Groene Boekje
[de Woordenlijst der Nederlandse Taal]
6. alles gaat volgens het boekje
[zoals het hoort]
7. dat is een gesloten boek
[een afgesloten periode]
8. met je neus in de boeken zitten
[studeren]
9. het boek der boeken
[de Bijbel]
2. bladen papier met aantekeningen, gegevens, etc.
♢ zet uw naam maar in het gastenboek
1. de boeken afsluiten
[een financieel jaarverslag maken]
2. buiten zijn boekje gaan
[andere dingen doen dan je mag doen]
3. een boekje opendoen over iemand
[geheimen verklappen]
4. volgens het boekje
[volgens de voorschriften]

Zelfstandig naamwoord: boek
het boek
de boeken
het boekje