Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

bal

betekenis & definitie

bal - zelfstandig naamwoord

1. rond voorwerp voor spel en sport
♢ de kinderen speelden met een bal
1. een balletje trappen
[een partijtje voetballen]
2. wie kaatst moet de bal verwachten
[als je zelf plaagt, word je ook geplaagd]
3. er geen bal van snappen
[er niets van snappen]
4. de bal afgeven
[aan iemand anders toespelen]
5. de bal ligt nu bij hem
[nu moet hij actie ondernemen]
6. ergens een balletje over opgooien
[erover beginnen om de reacties te peilen]
7. de bal is rond
[er is van alles mogelijk]
8. de bal terugkaatsen
[een gevat antwoord geven]
2. wat bol en rond is
♢ wie wil er een bal gehakt?
3. het bolle deel van de onderkant van je voet, bij je tenen
♢ je moet de bal van je voet goed in de grond drukken
4. deftig dansfeest
♢ het bezoek van de koningin werd afgesloten met een bal
5. mannelijke geslachtsklier die de zaadcellen maakt en opslaat
♢ hij kreeg een schop tegen zijn ballen

Algemene uitdrukkingen:
1. ergens de ballen van begrijpen
[er niets van snappen]
2. het interesseert me geen bal
[niets]
3. er de ballen verstand van hebben
[er helemaal geen verstand van hebben]
4. de ballen!
[informele afscheidsgroet]
5. geen bal uitvoeren
[helemaal niets]
Zelfstandig naamwoord: bal
de bal
de ballen
het balletje

Synoniemen
kloot, teelbal, testikel, zaadbal