2020-04-07

Bal

Bal - 'de bal is rond': zegswijze om aan te geven dat er nog van alles kan gebeuren. De afloop van de wedstrijd kan dus nooit voorspeld worden. Titel van een boek van D. Ariese. 'Aan de bal zijn': de bal in zijn bezit hebben. 'De bal het werk laten doen': passen in plaats van dribbelen. 'Achter de bal spelen': verdedigend spelen. 'De bal doodleggen': stoppen. 'Een balletje trappen': een partijtje voetbal spelen. 'De bal in de ploeg houden': het spel beheersen, onder controle hebben. 'De bal late...

2020-04-07

bal

(de; -len) 1 - bolvormig massief of uit delen opgebouwd lichaam dat van de afslagplaats met één of meer slagen in de hole moet worden geslagen, syn. golfbal: een makkelijke resp. lastige, moeilijke bal; zoeken naar de bal, proberen de bal te vinden; mag volgens de golfregels gedurende vijf minuten. • De golfbal werd vroeger gemaakt van leer met een vulling van veren, daarna van de latexextractie guttapercha, en bestaat tegenwoordig uit een vaste of vloeibare kern met een plastic omhulsel. Door d...

2020-04-07

bal

bal - zelfstandig naamwoord 1. rond voorwerp voor spel en sport ♢ de kinderen speelden met een bal 1. een balletje trappen [een partijtje voetballen] 2. wie kaatst moet de bal verwachten [als je zelf plaagt, word je ook geplaagd] 3. er geen bal van snappen...

2020-04-07

Bal

Bal - verkorting van corpsbal ‘lid van een studentencorps’. Sinds eind jaren zeventig. Volgens de eigenaar komen hier sportieve, trendy mensen, volgens de jongeren uit Den Helder ook patsers en ballen. Nieuwe Revu, 23-06-98 de bal bij iemand (anders) leggen, de beslissing aan iemand anders overlaten. De staatssecretaris moet de moed hebben om zelf te beslissen. Nu legt ze de bal bij de Kamer. Trouw, 18-07-97 de bal ligt bij hem (Eng. the ball is on his court), hij moet nu een beslissing nemen...

2020-04-07

Bal

De familienaam Bal wordt beschouwd als een patroniem op basis van de roepnaam Bal(do) uit Boudewijn (Baldewinus). Daarnaast kan gedacht worden aan een relatie met de afbeelding van een bal, bijvoorbeeld met betrekking tot een uithangbord of een gevelteken; vergelijk in die zin samenstellingen als Bontenbal, Roodbal en misschien ook Doornenbal. De naam zou ook als beroepsbijnaam gegeven kunnen zijn aan een vervaardiger van ballen; vergelijk de familienaam Balmakers. Behalve de van oudsher Neder...

2020-04-07

bal

(de; -len) GY - bolvormig voorwerp van rubber of synthetisch materiaal (licht plastic) met een diameter van 18-20 cm en een gewicht van tenminste 400 g, dat gebruikt wordt als handge- reedschap bij ritmische gymnastiek. • Krachtige, spectaculaire worpen vormen een contrast met lichte en precieze bewegingen bij het opvangen van de bal. (KOODE) • Gymsport is géén balsport, daarom kiezen mensen die niets met balsporten hebben vaak voor turnen en gymnastiek, (THEBE)

2020-04-07

bal

frank; gulden In 1890 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, uit Roeselare in West-Vlaanderen, in de betekenis ‘frank’ (de munteenheid). Kennelijk is dit woord via het zuidelijke Bargoens in het Nederlands terechtgekomen. Van het Franse balle (‘rond voorwerp’). • Nu werd Maurice wit, zijn oogleden trokken woedend samen. ‘Die doodkist heeft ons er bij gelapt voor tienduizend ballen’, siste hij vinnig. ¶ A. Roothaert, Onrust op Raubrakken (1935), p. 6 • ‘Ik liet een...

2020-04-07

Bal

Bal - danspartij; B. paré, staatsiebal, bal, waartoe men slechts speciaal gecostumeerd toegelaten wordt; B. masqué, gemaskerd bal; B. champêtre, danspartij in de open lucht; B. blanc, bal, waarop slechts door ongehuwden mag worden gedanst.

2020-04-07

Bal

Bal - zie Baäl.

2020-04-07

bal

In vooral het zuiden van het taalgebied komt de elliptische verwensing mijn ballen! voor. Daarnaast verschijnt de volledige vorm lik mijn ballen! Eenmaal noteerde ik;a, mijn ballen Gerard! Al deze varianten wijzen op minachting, onmacht, ergernis enz. en betekenen ‘bekijk het maar, je kunt me wat, ik wil niet meer met je te maken hebben’. zie Gerard, likken.

2020-04-07

Bal

Het begrip bal heeft 3 verschillende betekenissen: 1. bal - m. (-len). bolrond lichaam (van caoutchouc, leder of iets dergelijks vervaardigd) waarmede kinderen zich vermaken door het op te gooien en te vangen; bolrond lichaam dat bij bepaalde spelen als kaatsen, kegelen, biljarten enz. dienst doet; — eene in bolvorm samengepakte hoeveelheid sneeuw waarmede geworpen wordt, sneeuwbal; — een bal (balletje) gehakt, fijngehakt vleesch in bolvorm samen gepakt; — suikerballetje; &m...

2020-04-07

bal

1) (1970) (stud.) bekakt, conservatief persoon. Vaak als verkleinvorm en meestal voorafgegaan door negatieve aanduidingen zoals 'rechtse' of 'arrogante'. Soms ook positief: 'populaire bal'. Verkorting van corpsbal*. Een ‘ballenvereniging’ is een studentenclub. • En een stelletje psychoballen weet je wel, nou die lullen alsmaar over de verschrikkelijke gevaren van stp. (Arie B. Hiddema: Dag heer. 1970) • Hij begrijpt er verdomd v...

2020-04-07

bal

bal - testikel, zaadbal. De ballekens zijn in een beursken besloten, als een zeer kostelijke zaak, Eros’ L. 83 [18e e.]. Minder gebruikelijk in de bet.: vrouwenborst.Hierbij: de verb. met twee ballen slaan, coïteren. Doch; daer zijn wel and're plaetsen, Daer (se) met twee ballen slaen, Maer ick souder noode Kaetsen, Want de netten zyn vergaen, N. Klucht. Maneschyn, bv° [1640].