alleen betekenis & definitie

alleen - bijwoord
uitspraak: al-leen

1. alleen maar, niets anders dan dat
ze hebben alleen meisjes in dat gezin
1. enkel en alleen
[uitsluitend]
2. alleen al
[slechts]
3. alleen maar
[slechts]
2. met dit voorbehoud
♢ ik vind je verhaal wel goed, alleen het is wat langdradig

Bijwoord: al-leen

Synoniemen
enkel