(1), bij een schip de rondhouten, het staand en lopend T. en, bij een zeilschip, de zeilen. Staand T. zijn de vaste steuntouwen, lopend T. is het touwwerk, dat naar behoefte doorgehaald en gevierd wordt.
Bij de grotere zeilschepen worden masten verlengd door mars- en bramstengen. Gesteund worden masten en stengen naar voren door de stagen, zijwaarts en naar achteren door het want en de pardoens. De raas zijn met het midden door een rak aan mast of steng verbonden, zodanig dat zij horizontaal en verticaal kunnen draaien. Voor bevestiging van het zeil dient een stalen leider of yackstay, lopende door ogen aan de bovenzijde van de ra. Het lopend tuig wordt geschoren door blokken en door schijfgaten in de rondhouten of in aangehechte houten blokken met schijf, schildpadden genaamd; het wordt aan dek uit de hand of met behulp van een gangspil* of lier, doorgehaald en „belegd” op nagelhouten tegen boord, stijlen bij de mast of op naar behoefte aangebrachte kruishouten, -klampen en -nagels, die, naar weerszijden uitstekende, gelegenheid geven met het touw kruiselingse slagen te nemen. De boegspriet is vóór in het schip geplaatst, en wordt verlengd door kluifhout (kluiverboom) en jaaghout. Boegspriet en verlengstukken dienen voor de uitwaartse bevestiging van de voorzeilen en van de stengen van de voortop;(2). z Paardentuig. Tuighuis of arsenaal heten de, vooral in de 18e eeuw met haar magazijnoorlogen veel gebouwde magazijnen van oorlogsmaterieel, die men nog in vele oude vestingen aantreft.