Wat is de betekenis van tuig?

2022
2023-01-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

tuig

(17e eeuw) (sch.) mannelijk lid. Eig. gereedschap. Vaak in de verkleinvorm. Tegen een bruidegom: 'Is je tuigje wel in orde?' Reeds opgetekend in de 17de eeuws (bij Bredero) en in een 18de eeuwse klucht (Kwakers Bruiloft en Verjaring). Ook bij Boekenoogen komt het woord in deze betekenis voor. Vgl. gereedschap*. • Grietje ghy maackt mijn tuychj...

Lees verder
2019
2023-01-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tuig

tuig - Zelfstandignaamwoord 1. ding, voorwerp Pas op anders gaat dat hele tuig in de fik. 2. (techniek) machine of gebruiksklare constructie, die is ingericht om een activiteit of bezigheid te verrichten of eenvoudiger te maken: rijden, spelen, varen enz. Als he...

Lees verder
2018
2023-01-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tuig

tuig - zelfstandig naamwoord 1. geheel van riemen waardoor een paard kan trekken ♢ nadat het tuig ingespannen was, kon de kar vertrekken 2. gezamenlijke onderdelen die ergens voor nodig zijn ♢ als hij gaat vi...

Lees verder
1990
2023-01-30
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

tuig

tuig - De volledige uitrusting waarmee een groep dieren aan een voertuig is vastgemaakt.

1981
2023-01-30
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

tuig

1. riemen en ander materiaal waarmee trekdieren worden ingespannen; 2. zie tuigage; 3. in samenstellingen: toestel, gereedschap, b.v. werptuig, vliegtuig; 4. laag volk.

Lees verder
1977
2023-01-30
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

tuig

tuig - mannelijk lid; eig. ‘gereedschap’ (vgl. o.a. reedschap en apparaat). So quam daar by toeval een Soldaat te wateren, die zijn tuyg door het voorgemelde gat stak, De Geest v. Jan Tamboer 61 [1656]. Neptunus... Die doet al vry wat meer als pissen, En houd zyn tuigje klaar en kant, Kwakers Bruiloft en Verjaring 7 [± 1800].Is j...

Lees verder
1973
2023-01-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Tuig

o. (-en), 1. toestel, gerei, gezamenlijke werktuigen of onderdelen benodigd om iets te verrichten; 2. de riemen en koorden waarmee een trekdier wordt toegerust om iets te trekken; tuigje, stel riemen waaraan men een kind laat lopen of waarmee men de vrijheid in bed enz. beperkt; 3. want, samenvattende aanduiding van al het tot een schip behorende...

Lees verder
1952
2023-01-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tuig

s.n.; (gereedschap), ark (it), reau (it), ridskip (it); (van schepen), túch (de & it), pl. tugen; (van paarden) túch (it), pl. tugen; (uitschot), túch (it), reau (it), naesje (it), rasmas (it).

1950
2023-01-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Tuig

o. (-en), 1. (in ’t alg.) toestel, gerei, gezamenlijke werktuigen of onderdelen benodigd om iets te verrichten. 2. al de riemen en koorden waarmee een paard of ander dier wordt toegerust om iets voort te trekken of te dragen: een paard het tuig af-, aandoen. 3. (zeew.) al het touwwerk en de zeilen die bij een bep. mast behoren:...

Lees verder
1949
2023-01-30
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Tuig

(1), bij een schip de rondhouten, het staand en lopend T. en, bij een zeilschip, de zeilen. Staand T. zijn de vaste steuntouwen, lopend T. is het touwwerk, dat naar behoefte doorgehaald en gevierd wordt. Bij de grotere zeilschepen worden masten verlengd door mars- en bramstengen. Gesteund worden masten en stengen naar voren door de stagen, zijwaart...

Lees verder
1937
2023-01-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

tuig

o., in bet. 1 -en; 1. materiaal, werktuig, gereedschap, toestel in samenst.; inz. riemen, koorden, waarmee trekdieren getuigd worden: het tuig van een lastdier; zie speeltuig, zintuig, tuighuis; 2. scheepst. al het nodige voor de uitrusting van een mast enz.: touwwerk, zeilen behoren tot het tuig; zie waarloos; 3. slecht goed, prullen; slecht, geme...

Lees verder
1933
2023-01-30
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Tuig

1) takelage, tuigage, al het touwwerk enz., bevestigd aan mast en stengen v./eschip; 2) riemen en touwen, waarmede last- en trekdieren voor den wagen worden gespannen.

Lees verder
1933
2023-01-30
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Tuig

➝ Tuigage.

1930
2023-01-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

tuig

('tuich) o. (-en;-je) I. Algm. iets dat als uitrusting dient. II. Inz. 1. samenstel van riemen en koorden waarmede een dier wordt uitgerust om iets voort te trekken : het van een lastdier; paardetuig. 2. Zeew. al het nodige voor de uitrusting van een schip : bestaat uit touwwerk, zeilen enz.; een schip van voorzien; → lopend waarloos...

Lees verder
1916
2023-01-30
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Tuig

Tuig - al het rondhout met touwwerk van een schip. Onder het rondhout verstaat men de masten met stengen en raas, gaffels en boomen, boegspriet met kluiver- en buitenkluiverboom. De touwen, die het rondhout moeten steunen, op dek of tegen de huid zijn vastgezet, heeten staand tuig, de touwen voor de bediening der zeilen loopend tuig. Voor de versch...

Lees verder
1911
2023-01-30
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Tuig

(paardetuig, enz.) van tiegen = trekken; het woord w. d. z.: het trekmiddel, het gareel. Hieruit ontwikkelde zich de bet. van uitrusting (bijv. in wapentuig; tuighuis); of middel of gereedschap: werktuig; voertuig. Tuigen, getuigen (de waarheid, enz.), leidt men af uit de bet.: trekken voor 't gericht, b.v. het Ohd.: zi urkundi ziohan = tot ge...

Lees verder
1908
2023-01-30
Vivat

Schrijver op Ensie

Tuig

omvat alle stukken, meest uit leder gemaakt, waardoor de trek- en draagkracht van paarden en lastdieren aangewend kan worden. Het beste materiaal voor het maken van tuigen geeft de goed gelooide huid van jonge stieren of koeien. 1. Voor rijpaarden bestaat het tuig uit zadel met toebehooren (zie art. Zadel) en hoofdstel. Het hoofdstel omvat k...

Lees verder
1898
2023-01-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tuig

Tuig - o. (-en), werktuig, gereedschap, toestel; — al de riemen en koorden, waarmede een paard of ander dier wordt toegerust om iets voort te trekken enz.; een paard het tuig af-, aandoen; — geschut met alles, wat daartoe behoort, nog over in de samenstellingen tuighuis, tuigkamer enz.; — (zeew.) al wat vereischt wordt om een ma...

Lees verder
1870
2023-01-30
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Tuig

Tuig wordt in verschillende beteekenissen gebruikt. Men spreekt van het tuig van een schip en men bedoelt daarmede de masten met touwwerk en zeilen, — en men geeft dien naam ook aan den toestel van leder- en touwwerk enz., waarvan de paarden voorzien worden, wanneer zij als trek- of lastdieren dienst zullen doen.

1864
2023-01-30
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Tuig

Tuig, o. (-en), werktuig, gereedschap, toestel; al de riemen en koorden waarmede een paard of ander dier wordt toegerust om iets voort te trekken enz.; (fig.) slecht goed, prullen; slecht volk; (zeew.) al wat vereischt wordt om eenen mast enz. in behoorlijken toestand te brengen; stof waaruit iets vervaardigd is; versiersel, opschik; zilveren of go...

Lees verder