Wat is de betekenis van tuig?

2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tuig

tuig - Zelfstandignaamwoord 1. ding, voorwerp Pas op anders gaat dat hele tuig in de fik. 2. (techniek) machine of gebruiksklare constructie, die is ingericht om een activiteit of bezigheid te verrichten of eenvoudiger te maken: rijden, spelen, varen enz. Als he...

Lees verder
2018
2021-06-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tuig

tuig - zelfstandig naamwoord 1. geheel van riemen waardoor een paard kan trekken ♢ nadat het tuig ingespannen was, kon de kar vertrekken 2. gezamenlijke onderdelen die ergens voor nodig zijn ♢ als hij gaat vi...

Lees verder
1990
2021-06-18
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

tuig

tuig - De volledige uitrusting waarmee een groep dieren aan een voertuig is vastgemaakt.

1981
2021-06-18
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

tuig

1. riemen en ander materiaal waarmee trekdieren worden ingespannen; 2. zie tuigage; 3. in samenstellingen: toestel, gereedschap, b.v. werptuig, vliegtuig; 4. laag volk.

Lees verder
1977
2021-06-18
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

tuig

tuig - mannelijk lid; eig. ‘gereedschap’ (vgl. o.a. reedschap en apparaat). So quam daar by toeval een Soldaat te wateren, die zijn tuyg door het voorgemelde gat stak, De Geest v. Jan Tamboer 61 [1656]. Neptunus... Die doet al vry wat meer als pissen, En houd zyn tuigje klaar en kant, Kwakers Bruiloft en Verjaring 7 [± 1800].Is j...

Lees verder
1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

tuig

o. (-en), 1. toestel, gerei, gezamenlijke werktuigen of onderdelen benodigd om iets te verrichten; 2. de riemen en koorden waarmee een trekdier wordt toegerust om iets te trekken; tuigje, stel riemen waaraan men een kind laat lopen of waarmee men de vrijheid in bed enz. beperkt; 3. want, samenvattende aanduiding van al het tot een schip behorende t...

Lees verder
1952
2021-06-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tuig

s.n.; (gereedschap), ark (it), reau (it), ridskip (it); (van schepen), túch (de & it), pl. tugen; (van paarden) túch (it), pl. tugen; (uitschot), túch (it), reau (it), naesje (it), rasmas (it).

1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Tuig

o. (-en), 1. (in ’t alg.) toestel, gerei, gezamenlijke werktuigen of onderdelen benodigd om iets te verrichten. 2. al de riemen en koorden waarmee een paard of ander dier wordt toegerust om iets voort te trekken of te dragen: een paard het tuig af-, aandoen. 3. (zeew.) al het touwwerk en de zeilen die bij een bep. mast behoren:...

Lees verder
1949
2021-06-18
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Tuig

(1), bij een schip de rondhouten, het staand en lopend T. en, bij een zeilschip, de zeilen. Staand T. zijn de vaste steuntouwen, lopend T. is het touwwerk, dat naar behoefte doorgehaald en gevierd wordt. Bij de grotere zeilschepen worden masten verlengd door mars- en bramstengen. Gesteund worden masten en stengen naar voren door de stagen, zijwaart...

Lees verder
1933
2021-06-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Tuig

1) takelage, tuigage, al het touwwerk enz., bevestigd aan mast en stengen v./eschip; 2) riemen en touwen, waarmede last- en trekdieren voor den wagen worden gespannen.

Lees verder
1933
2021-06-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Tuig

➝ Tuigage.

1916
2021-06-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Tuig

Tuig - al het rondhout met touwwerk van een schip. Onder het rondhout verstaat men de masten met stengen en raas, gaffels en boomen, boegspriet met kluiver- en buitenkluiverboom. De touwen, die het rondhout moeten steunen, op dek of tegen de huid zijn vastgezet, heeten staand tuig, de touwen voor de bediening der zeilen loopend tuig. Voor de versch...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tuig

Tuig - o. (-en), werktuig, gereedschap, toestel; — al de riemen en koorden, waarmede een paard of ander dier wordt toegerust om iets voort te trekken enz.; een paard het tuig af-, aandoen; — geschut met alles, wat daartoe behoort, nog over in de samenstellingen tuighuis, tuigkamer enz.; — (zeew.) al wat vereischt wordt om een ma...

Lees verder
1870
2021-06-18
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Tuig

Tuig wordt in verschillende beteekenissen gebruikt. Men spreekt van het tuig van een schip en men bedoelt daarmede de masten met touwwerk en zeilen, — en men geeft dien naam ook aan den toestel van leder- en touwwerk enz., waarvan de paarden voorzien worden, wanneer zij als trek- of lastdieren dienst zullen doen.