De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Gepubliceerd op 07-06-2020

Grondwet

betekenis & definitie

geschreven constitutie* van een Staat, met name als deze is vastgelegd in een wet van hoger orde dan de gewone wetten. In deze vorm is de G. te beschouwen als een product van de Amerikaanse en Franse revoluties.

Ned. kreeg de eerste G. in moderne zin met de Staatsregeling van 1798. Deze gold slechts korte tijd: in 1801, 1805 en 1806 kwamen telkens weer nieuwe Staatsregelingen tot stand. De huidige G. dateert van 1814. Reeds in 1815 moest zij weer gewijzigd worden in verband met de inlijving der Zuidel. Nederlanden en de verheffing van Ned. tot Koninkrijk. G. houdt o.a. bepalingen in betreffende Koninklijke macht, Volksvertegenwoordiging, hoofdtrekken der rechterlijke organisatie en van het bestuur der provinciën en gemeenten, grondrechten.

De belangrijkste herzieningen der G. hadden plaats in: 1848 (ministeriële verantwoordelijkheid, rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer), 1887 (uitbreiding kiesrecht), 1917 (algemeen kiesrecht, evenredige vertegenwoordiging, gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs), 1922 (beperking troonopvolging tot nakomelingen van koningin Wilhelmina, vrouwenkiesrecht, toekenning autonomie aan Ned.-Indië, Suriname en Cura9ao, die hun naam van „koloniën en bezittingen” verloren), 1948 (voorzieningen, noodzakelijk door voorgenomen afscheiding van Ned.-Indië uit het Koninkrijk, omdoping van Cura£ao in Ned. Antillen en van Ned.-Indië in Indonesië, invoering van Staatssecretarissen). Procedure voor Grondwetsherziening: voorgenomen wijziging wordt eerst in gewone wet vastgelegd; daarna worden beide Kamers der Stat.-Gen. ontbonden. Na nieuwe verkiezingen moet het voorstel in elk der beide Kamers met ⅔ meerderheid worden aangenomen.

De Blg. G. dateert van 1830. In verband met uitbreiding kiesrecht herzien in 1893, 1920 en 1921. Procedure voor Grondwetsherziening: eerst stellen Kamer en Senaat de reden der herziening vast, vervolgens worden zij ontbonden; na de verkiezingen zullen de nieuwe Kamer en Senaat niet mogen beraadslagen, indien niet ten minste ⅔ der leden aanwezig zijn, en elke verandering is pas aangenomen, indien ⅔ der aanwezige leden hun stem er vóór hebben uitgebracht.