Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 14-10-2019

Schoon

betekenis & definitie

(aesthetica),

1° In den breedsten zin synoniem van ➝ aesthetisch: datgene, welks aanschouwing behaagt. Dit behagen, tegengesteld aan den wellust van de naar werkelijk bezit gerichte neigingen, wordt onbaatzuchtig geheeten. Wijl onbaatzuchtig, maakt het aanspraak op algemeene geldigheid (➝ Smaak).
2° In den engeren zin is het schoone een soort van het aesthetische. Gekenmerkt door volstrekte belangeloosheid en zuiver welgevallen is het evenwicht van gevoel en kennis, harmonie van gewaarwording, beeld en ➝ idee, physiologisch welzijn en psychologische ongestoordheid. Het schoonheidsbeleven volgt het intuïtief aanvoelen van het volmaakte, d.i. van hetgeen overvloedig zijn doeleinde (organische eenheid in de menigvuldigheid) verwezenlijkt.

Men onderscheidt natuur- en kunstschoon. Het kunstschoon onderstelt in het geval van de absolute ➝ kunst de volmaaktheid van de gewaarwordingenharmonie (➝ Gestalte); in het geval van de inhoudskunst, daarenboven het volmaakt evenwicht van uitdrukking en beleving (expressief s.) en de volmaaktheid van het voorgesteld ➝ ideaal (gewenscht natuurschoon). Ontbreekt de laatste voorwaarde, dan is het schoonheidsgevoel gemengd en derhalve wordt het kunstwerk in andere aesthetische categorieën geplaatst (➝ subliem, ➝ tragisch, enz.).

De Bruyne.