Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 16-10-2019

Naastenliefde

betekenis & definitie

(Latijn: Caritas of Charitas) is een bovennatuurlijke deugd, waardoor wij den naaste om God beminnen. Met één en dezelfde liefde beminnen wij God en den naaste: immers onze naaste is geroepen tot de bovennatuurlijke eenheid van leven en liefde met God en het goede, dat wij hem wenschen, is het bezit van God.

Zoo is God de beweegreden om den naaste lief te hebben en is de n. gelijkwaardig aan de Godsliefde. Nadat de Zaligmaker de liefde tot God als grootste en eerste gebod verklaard had, voegde Hij er aan toe: „En het tweede daaraan gelijk: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf” (Mt.22.39).

Door deze woorden „als uzelf” wordt de zelfliefde als regel en voorbeeld gesteld van de naastenliefde. De mensch bemint zichzelf als deelhebbend aan de bovennatuurlijke godsgaven; den naaste als mededeelgenoot aan die gaven.

Daarom begint de welgeordende liefde bij zichzelf. Waar sprake is van het eeuwig heil moet ieder zichzelf laten voorgaan; betreft het tijdelijke goederen, dan bestaat die plicht niet, maar dringt de liefde den naaste te laten voorgaan.Omdat alle menschen zonder uitzondering zijn geroepen tot het kindschap Gods en de schouwing Gods in de eeuwigheid, is de n. algemeen en omvat ook de vijanden: „Bemint uw vijanden en bidt voor wie u lasteren en vervolgen, opdat ge kinderen moogt zijn van uw Vader in den hemel” (Mt.5.44).

Het gebod der n. eischt op de eerste plaats welwillende gezindheid jegens den naaste; de vrucht hiervan is de werkdadige n., die ons verplicht den naaste in zijn geestelijken of lichamelijken nood bij te staan, vnl. door vermaning of terechtwijzing, en door aalmoezen (➝ Liefdadigheid). Zijn vijand moet men vergeven, ook al vraagt deze geen vergiffenis. Die vergiffenis moet men uitwendig toonen door de gewone teekenen van n. te geven, tenzij er voldoende reden is voor een tijd die teekenen te weigeren en er geen ergernis ontstaat. Bijz. teekenen van liefde jegens den vijand zijn over het algemeen niet verplicht. Haat en wraakzucht zijn de voornaamste inwendige zonden tegen de n., de voornaamste uitwendige zonden zijn ergernis en verleiding; door medewerking aan het kwaad van anderen wordt dikwijls de n. gekwetst.

Zie verder ➝ Aalmoes; Barmhartigheid; Bijstand.

Lit.: St. Thomas, Summa Theol. (II II q. 23-46); St. Alphonsus, Theol. Mor. (II, 25-80). P. Heymeijer.

Godsdienstige genootschappen van naastenliefde. Van het begin der Kerk af heeft de n. niet slechts gegolden als een eerste plicht der afzonderlijke Christenen, maar heeft deze plicht de Christenen ook doen samenwerken en in genootschappen, vereenigingen, broederschappen, orden en congregaties vereenigd. Dit is allerminst als een substitutie te beschouwen, welke den plicht der enkelingen zou verlichten of verminderen, integendeel als een aanwijzing, dat deze, hoe hoog ook opgevoerd en hoe volmaakt ook volbracht, nog een hoogere bekroning vraagt in de beoefening in gemeenschap. Het is natuurlijk niet mogelijk, ook maar schematisch de vele vormen aan te geven, waarin op deze wijze de n. in de Kerk beoefend wordt en werd; het zij voldoende, er op te wijzen, hoe naast religieuze orden en congregaties met bijzondere beloften tot beoefening van de n., hetzij in het algemeen, hetzij in bepaalde vormen (als verpleging van zieken en hulpbehoevenden, onderwijs aan onvermogenden of onvolwaardigen, vrijkooping van slaven, bezoek en troost en reclasseering van gevangenen, opname van verlatenen, kleeding en onderstand van behoeftigen, redding van drankzuchtigen, bescherming van meisjes, enz.), eveneens tallooze vrije leeken-vereenigingen en genootschappen, broederschappen en verbonden bestaan ter leniging van nooden van den evenmensch en deze in telkens nieuwe vormen in de Kerk ontstaan. Zij blijven de eerste glorie der Kerk en doen haar ook in de missielanden kennen als geleid door en gericht op God, wiens wezen liefde is en die de liefde aan de menschen gaf als eersten en hoogsten plicht. Brandsma.