Geschiedenis betekenis & definitie

Geschiedenis - (zie ook ➝ Historiographie). In objectieven zin verstaat men onder g. alle gebeuren op aarde, doch meer bijzonder het gebeuren, dat door de vrije werkzaamheid van den mensch is veroorzaakt.

G. als wetenschap omvat het onderzoek en de beschrijving van dit laatste, inzoover het in eenig opzicht voor de ontwikkeling van mensch en maatschappij van beteekenis is. Materieel en formeel object van de g. is daarmee reeds aangeduid. Zij is een ervaringswetenschap, die de feiten van het historisch gebeuren heeft vast te stellen, samen te vatten, te verklaren en te beoordeelen. Als bronnen dienen haar alle gegevens, die een historische gebeurtenis voor ons kunnen doen herleven (monumenten, inscripties, oorkonden, voortbrengselen van letterkunde en kunst, hist. geschriften enz.). De samenvatting der feiten geschiedt onder algemeene gezichtspunten. De verklaring zal ernaar moeten streven, elk bijzonder en eenmalig feit uit zijn oorzaken te begrijpen. Norm bij de beoordeeling is de ontwikkeling van mensch en gemeenschap in cultureel, godsdienstig, wetenschappelijk, aesthetisch, politiek, economisch opzicht. Deze verschillende opzichten geven tevens de gebieden aan, waarover de belangstelling van de g. zich uitstrekt. Onder het oogpunt van haar omvang wordt de g. verdeeld in algemeene en speciale (vaderl., nationale, provinciale, stads-, dorpsgesch.); onder dat der methode in verhalende, pragmatische, genetische (➝ Historiographie); naar chronologische orde in verschillende tijdvakken.

De vraag naar het wetenschappelijk karakter der g. is vooral opgeworpen door W. ➝ Windelband en ➝ Rickert in verband met de indeeling der wetenschappen. Volgens Windelband kan de g. als ➝ idiographische wetenschap in tegenstelling met de nomothetische of natuurwetenschap slechts het singuliere, assertorische oordeel tot doel hebben; volgens Rickert komt de kennis van het individueele in de historie in onderscheid met de veralgemeenende strekking van die van het natuurgebeuren tot stand door een aan de g. eigen begripsvorming, welke wetenschappelijk karakter verkrijgt door het enkele feit in betrekking te brengen tot zekere objectieve cultuurwaarden. De verklaring van het hist. gebeuren uit zijn oorzaken schijnt echter reeds voldoende te zijn om het wetensch. karakter der g. te waarborgen.

Hulpwetenschappen van de geschiedenis zijn vooral: palaeographie, diplomatiek, papyrologie, epigraphiek, numismatiek, sphragistiek, heraldiek, genealogie en chronologie.

Lit.: E. Bernheim, Lehrb. der hist. Methode (Berlijn 1908); A. Feder, Lehrb. der hist. Methodik (Regensburg 1924); Ch. Langlois en Ch. Seignobos, Introd. aux études hist. (Parijs z.j.).

F. Sassen.