('zwijgәn) (zweeg, heeft gezwegen)
1. zijn stem niet laten horen, niets zeggen: toen ik binnenkwam, zweeg hij; zwijg stil! op een vraag -; hij zwijgt op alles wat ik hem vraag; over iets -; zwijg toch als je blieft! de figuranten zijn de -de personen in een toneelstuk; een -de film; -de angst. Gez, die zwijgt, stemt toe, wie tegen een voorstel geen bezwaar inbrengt, stemt toe; er het toe doen. niets meer zeggen; iemand het opleggen of iemand tot brengen, hem verplichten te zwijgen; als het graf, als een mof, in alle of in zeven talen, geheel en al zwijgen. →: zilver. Tgst. →: babbelen, spreken.
2. niets vermelden: de geschiedenis zwijgt daarvan; de wet zwijgt over zulk geval.
3. ophouden: de muziek, het orgel, het geschut zweeg; een batterij tot brengen.