Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Gepubliceerd op 30-06-2020

geslacht

betekenis & definitie

I. (gə’slacht) o. (-en) [~ slag, vgl. uit de aard geslagen]

I. Eig.
1. gezamenlijke personen die uit een gemeenschappelijke stamvader zijn gesproten, familie (maar edeler) : een aanzienlijk, adellijk, doorluchtig, oud -; het der Brederode’s. Syn. stamhuis.
2. Uitbr.
a. alle wezens die van nature, door bepaalde kenmerken, tot dezelfde soort behoren : het menselijk -.
b. groep in de dier- en plantkunde die een aantal soorten omvat: de huiskat, de tijger, de leeuw behoren tot het der Katten; het driekleurig viooltje en het welriekende paarse viooltje behoren tot het der Violen.

II. Metn.

1. [van I 2] gezamenlijke kenmerken van gelijksoortige wezens : een kind van het mannelijk, van het vrouwelijk -. Syn. kunne, sekse.
2. Metn. [van 1] gezamenlijke personen van het mannelijk of vrouwelijk geslacht: het schone, tedere, vrouwelijke of zwakkere -; het sterke of manlijk -.

III. Metf.

1. [van I 1] gezamenlijke personen van een bepaald tijdstip : het opkomende, tegenwoordige -; van tot overgeleverd. Syn. generatie.
2. [van II 1] Taalk. bepaalde soort van een naamwoord met betrekking tot de buigingsvormen : het natuurlijk maakt alleen onderscheid tussen manlijke en vrouwelijke wezens; het spraakkundig of grammatikaal is het dat de spraakkunst aan de woorden geeft; in het Nederlands is er thans een algemene strekking om vele woorden die vroeger vrouwelijk waren als manlijk te beschouwen.

< >