Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

toerfietser

betekenis & definitie

Iemand die in groepsverband grote fietstochten maakt. Zie ook wielertoerist.

Hij zal verrekte hard moeten rijden, die berggeit Winnen, wil hij zo’n achterstand vanaf Luz St-Sauveur naar de top van de Tourmalet op me goedmaken. Met alle respect voor die kuitenbijter, een handicap van een half uur moet genoeg zijn voor een getrainde toerfietser. (Trouw, 01/07/1992)

Heel Barneveld staat in die dagen toch al in het teken van het wielrennen, want dan wordt de jaarlijkse Tour de Force verreden, een koers voor toerfietsers. (Het Parool, 23/02/1994)