Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

bus

betekenis & definitie

Groepje achterblijvers (voor wie het tempo van de echte klimmers te hoog is) aangevoerd door een of meer veteranen; achtervolgend peloton. De term werd bedacht of alleszins populair gemaakt door Gerrie Knetemann. Men spreekt ook wel van autobus. Degene die de bus leidt noemt men de buschauffeur.

Zij die achter blijven, groeperen zich dan netjes samen in één peloton, dat in het rennersjargon ‘de bus’ genoemd wordt. Er is, in die ‘bus’ een leider die, bestendig kijkend op het uurwerk, het tempo regelt, de achterblijvers doet opwachten en de profiteurs inspireert ook wat mee te werken. (Robert Janssens: Vreugde en verdriet in de Tour, 1985)

De niet-klimmers, die in de achtergrond gezamenlijk een ‘bus’ vormden, konden op evenveel sympathie bij het publiek rekenen als de koplopers. (Freddy Maertens. Niet van horen zeggen. Opgetekend door Manu Adriaens. 1988)