Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

peloton

betekenis & definitie

Groep bij elkaar rijdende renners. Toen in de jaren twintig van de twintigste eeuw de wegen en het materiaal beter werden, werd ook de ploegentactiek belangrijker (tevoren reed ieder voor zich). Hierdoor bleven de renners meer en meer bij elkaar in wat een ‘peloton’ werd genoemd. Informele synoniemen zijn: bende; hoofdmacht; meute; pak; trein. Men spreekt van ‘compleet peloton’ wanneer er geen uitlopers zijn, van ‘gegroepeerd peloton’ wanneer het peloton compleet is, van ‘gesloten peloton’ wanneer de renners gegroepeerd zijn. Het woord peloton is afgeleid van het Franse ‘pelote’ (kluwen).

Langs de straten, de wegen, de pleinen en hoog in de vrieskou tussen de gletschers op de Alpen-toppen staan en juichen de massa’s. Wat zij in feite van de wedstrijd zien is - soms - slechts een niets zeggende flits. Een renner, diep hangend in het stuur, strak starend naar de weg die onder hem voorbij rolt, en half verborgen in een stofwolk van de hem omringende auto’s en motoren. Of een bont en haastig voorbijjakkerend peloton, dat al rond de straathoek verdwenen is voor men er zijn eigen favoriet in heeft herkend. (Martin W. Duyzings: Sport op twee wielen. 1950)