Wat is de betekenis van bus?

2026-01-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Bus

v. (-sen), 1. doos van blik, ijzer, koper enz., meest cylindervormig en meer hoog dan breed, geschikt om iets in te bewaren: een bus voor koffie, thee, suiker, cacao; een bus in een kolenbak (bus ook wel = kolenkit); blik voor verduurzaamde groenten: groente uit de bus; een busje zalm; — (zegsw.) dat slui...

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten en medewerkers van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-20
Indonesisch Nederlands woordenboek

W. J. S. Poerwadarminta en dr. A. Teeuw (1950)

bus

-> bis, bus.