Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

baan

betekenis & definitie

Wielerbaan: ‘trainen op de baan’. In 1886 werd de Amsterdamse wielerbaan geopend (achter het Rijksmuseum). In datzelfde jaar werd ook begonnen met de afbraak van de Nijmeegse baan, omdat met de invoering van Dunlopbanden de snelheden voor deze baan te hoog kwamen te liggen. Vlamingen bedoelen met baan een (openbare) weg.

Toen begon hij te trainen op de baan, op de oude Scheveningse baan, waarvan wij reeds hebben verteld. (Joris van den Bergh: Te midden der kampioenen. 1929)

Een belangrijke dag was 23 juni 1918, een dag die gezien kan worden als het begin van de opbloei van de wielersport in Nederland. Het oude Amsterdamse stadion opende op die dag namelijk een wielerbaan. In feite een sintelbaan met licht verhoogde bochten rond een voetbalveld. De onderlaag van de baan werd gevormd door duizenden turven, de bovenlaag was gevormd door een cementpapje. De lengte van de baan was 400 meter en er kon ook met regen op gereden worden. (Wim van Eyle: Een eeuw Nederlandse wielersport. Van Jaap Eden tot Joop Zoetemelk. 1980)