adoot, adoteman betekenis & definitie

politieagent

In 1935 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. In 1937 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Gabbertaal van E.G. van Bolhuis. De herkomst is niet bekend. Deze benamingen voor ‘politieagent’ lijken vooral in Rotterdam te zijn gebruikt.

Vergelijk adje.

• ‘Laat ’m maar gaan’, zee ze tege de adoot, die z’n hanschoen al uitdee om me, zoo tussche me #schoere [schouders], een jatje te geven tot an ’t stoepie van ’t beroo. ¶ Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar (1935), p. 14
• ‘’t Kan allemaal wel waar wezen, maar je ben in overtreding, man. Wie niet hore wil, mot maar voele.’ ‘Je zal ’t wel late om die stumper te bekeure, adoteman’, helpt Altena. ¶ C.T.H. Jongejan-de Groot, Verdonkerd goud (1947), p. 12
• Daarom voelt hij opeens een klap in z’n nek, hij hoort een vloek, vloekt terug, smijt het glaasje van de tafel, zodat het met gerinkel aan stukken valt, rent het terras af en daar staat een adoot, die hem bij zijn nek grijpt. En dan doet Wimpie het stomste wat hij doen kan: hij trapt de adoot tegen zijn schenen en begint als een speenvarken te gillen. ¶ B. Stroman, Kleine diefjes worden groot (1949), p. 20

adje