adje betekenis & definitie

politieagent

In 1903 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. De bekende spreekwoordendeskundige F.A. Stoett noemde adje in 1905 in De Amsterdammer, in een artikel over enkele Bargoense namen voor ‘politieagent’, een typisch Rotterdams woord. De herkomst is nooit bevredigend verklaard. Mogelijk komt het simpelweg van adjudant. We vinden het als adje, atje en atji. Er is een verband gelegd met adoot en adoteman, woorden die eveneens voor ‘politieagent’ werden gebruikt, maar die duiken pas tientallen jaren later voor het eerst op.

• Maar die stomme Pukkie saskert [loopt] net pardoes... zóó!... met ze bast tegen ’n adje op -- en nog spankert ie weg. ¶ M.J. Brusse, Boefje (1903), p. 15. De schrijver verklaart de betekenis in een voetnoot.
• ‘We luste je adje.’ ¶ Is. Querido, Van Nes en Zeedijk (1915), p. 12. De schrijver verklaart de betekenis (‘diender, agent’) in een voetnoot.
• ‘D’r moeste zes adje’s an te pas komen om de Buffel naar de bazar te slepen.’ ¶ Piet Bakker, Kidnap (1952), p. 57. De schrijver verklaart de betekenis in een woordenlijst.