achenebbisj betekenis & definitie

uitroep van medelijden; armetierig, zielig, sjofel

In 1898 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst, maar vast al ouder. In 1937 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Gabbertaal van E.G. van Bolhuis.

Gevonden in een recordaantal vormvarianten, waarvan aggenebbisj, genebbisj en oggenebbisj het vaakst voorkomen. Van ach (of och) plus het Jiddische nebbisj, dat vermoedelijk teruggaat op een Slavisch leenwoord voor ‘stumper’ of ‘domoor’. Achenebbisj is eerder volkstaal dan Bargoens.

• ‘Och genebbisj’ golfde door de lucht. En zuchten hier en daar om die arme bloedjes van kinderen. ¶ Isidore Hen, ‘Lewaje’, in: Nederland jrg. 50 (1898), dl 3, p. 480
• Midden in de nacht werd ik wakker doordat m’n schoonvader lag te klappertanden van de kou. We hebben hem tussen ons in genomen want hij was zo koud als een botje, en zo is ie weer warm geworden. Ach ja het was een aggenebbisj tentje. ¶ Paul Rollman, Paul Rollman blijft ademhalen (1971), p. 148