coïtus betekenis & definitie

Wetenschappelijke Latijnse benaming voor de geslachtsgemeenschap. Vieze woorden werden lange tijd verbloemd. Een geliefde uitwijkmogelijkheid voor preutse onderzoekers was het Latijn. Coïtus komt van het werkwoord ‘coire’: samengaan, zich verenigen, zich verbinden.

In de zestiende eeuw sprak men over ‘verzameling’ en in de achttiende eeuw over ‘vereniging’ of ‘bijeenkomst’ wanneer men geslachtsgemeenschap bedoelde. De term coïtus werd reeds in 1824 opgetekend. De methode van anticonceptie waarbij de man zich terugtrekt vóór de zaadlozing noemt men ‘coïtus interruptus’, in de volksmond beter gekend als ‘voor het zingen* de kerk uitgaan’.

De angst voor de zwangerschap kan den orgasmus geheel tegenhouden en ten slotte tot een aversie tegen den coitus aanleiding geven.

Muller in Praevent. Geneesk. 193 8, geciteerd in WNT

Natuurlijk, liefzijn, voor- en naspel zijn onontbeerlijk maar het overgrote deel van de vrouwen die ik heb gekend, wilde na enige tijd door middel van een coïtus bevredigd worden.

Hans Koekoek: Liefzijn toegestaan. 1982

En we hadden onze eerste huwelijksnacht In Haamstede, in onze campcaravan. Het chemisch toiletje stond buiten En we hadden een geweldige coïtus.

Paul de Leeuw: Is that all there is. 1992

Hij is coïtus-gericht, zij vindt intimiteit en de beleving van verbondenheid belangrijk.

Algemeen Dagblad, oy-04-92

Vanaf het einde van de jaren zeventig werd hardop uitgesproken dat voor het bereiken van het vrouwelijk orgasme de ‘coïtus’ vaak een weinig effectieve methode is.

De Groene Amsterdammer, 09-10-96

Laatst bijgewerkt 17-08-2018