Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

Gepubliceerd op 22-01-2020

2020-01-22

AAL

betekenis & definitie

(Fr.: iel). Zoetwatervis, ook in Frl. zeer algemeen.

De A. bereikt de kust als glas-A., doorzichtig, ca. 7 cm lang, en tracht het zoete water te bereiken, in Frl. bij Harlingen, Roptazijl, Dokkumer Nieuwe Zijlen. Men vreesde dat de montée (het binnenzwemmen) zou afnemen door de afsluiting van de Zuiderzee en nu zet de visserij inspectie glas- en poot-A. uit.

De poot-A. leveren de riviervissers graag, omdat door verhoging van de minimummaat vooraf, een deel van hun vangst onverkoopbaar is. De montée valt in het voorjaar.

De dieren leven dan 5-8 jaar als bodemvis (rodeA.), en trekken geheel geslachtsrijp weer naar zee, om in de Sargassozee te paaien. Deze A., die in het najaar trekt, is de schier-A., zilver- of drijfpaling.

Ze wordt gevangen in de kanalen met verbinding naar de zeesluizen, tussen de meren en op stroomplaatsen aan de oevers. De A. wordt veel gevangen in fuiken bij de zgn. dichtzet-visserijen.

A. is een der weinige zoetwatervissen met hoge marktwaarde, de jaaropbrengst, voor de Fr. vissers van overwegend belang, bedraagt ca. ƒ 600 000, bij vangsten van 250 000-300 000 kg. Lemmer, Makkum en Staveren hebben palingrokerijen.

Palinghandel was er vroeger vooral in Heeg (tot 1939 met privilege van vaste ligplaats bij Towerbridge in Londen) en Workum. Tegenwoordig zijn er palingopkopers in Hardegarijp, Gaastmeer, Grouw, Makkum en Staveren. zie Ielbûs, Tichtset, IJselmeervisserij. —> Vistuig.