virus betekenis & definitie

Een ziektekiem die een virusziekte veroorzaakt.

Deze ziekteverwekkers zijn nog kleiner dan bacteriën en heel eenvoudig van opbouw, maar toch flink schadelijk voor het menselijk lichaam. Je kunt ze alleen onder een supersterke microscoop zien. Een virus heeft een levende cel als gastheer nodig om te leven.

Een virusziekte is besmettelijk. Als iemand in je omgeving een virusziekte heeft, kun jij ziek worden wanneer spuug of snot (van niezen, hoesten, zoenen), bloed of zaad (bijv. door vrijen, drugsgebruik) van die persoon met virussen erin in jouw lichaam terechtkomen. Na die besmetting krijg ook jij de ziekte die bij het virus hoort, bijvoorbeeld griep, verkoudheid, bof, mazelen, waterpokken, rodehond of wratten. Sommige virusziektes, zoals aids en pokken, zijn dodelijk. Om besmetting te voorkomen, moet je je handen vaak en goed wassen, vooral voordat je gaat eten en wanneer je naar de wc bent geweest.

Antibiotica (medicijnen tegen bacteriën) helpen niet tegen een virusziekte. Een virusziekte als griep of verkoudheid moet je gewoon uitzieken. De dokter geeft geen medicijnen ertegen, want die zijn er niet. Wel kan de dokter soms zorgen dat je een virusziekte (waarschijnlijk) niet krijgt. De dokter geeft je dan een inenting (vaccinatie). In Nederland en België worden baby’s ingeënt tegen bijvoorbeeld bof, het wrattenvirus, mazelen en rodehond. Die virusziektes kun je dan zeker niet meer krijgen. Sommige wrattenvirussen (HPV) kunnen baarmoederhalskanker veroorzaken. Ouderen en mensen met een chronische ziekte en minder afweer krijgen elk najaar een prik met een vaccin tegen griep. Die prik kan niet garanderen dat mensen geen griep krijgen, maar de kans op de ziekte wordt wel veel kleiner.

Het woord ‘virus’ is Latijn en betekent oorspronkelijk ‘gif’ of ‘dik slijm’. Het woord ‘viraal’ betekent ‘met betrekking tot een virus’: bijv. ‘een virale infectie’.

Kijk ook bij epidemie, griep, micro-organisme, vaccin.