embryo wat is de betekenis & definitie

Ongeboren vrucht gedurende de eerste drie maanden (12 weken) in de baarmoeder (uitspraak: EM-brie-joo).

Na de bevruchting treden er in de eicel in een razendsnel tempo delingen op. In de eerste 12 weken, de embryonale periode, ontwikkelen zich alle weefsels, zoals botweefsel, zenuwweefsel, de huid, maar ook alle organen, zoals de lever, de nieren, de bloedvaten en de zenuwen. In deze periode dat alles wordt aangelegd is de vrucht extra kwetsbaar voor beschadigende invloeden van buiten.

Dat zijn dus niet de erfelijke eigenschappen die de vrucht heeft meegekregen vanaf de bevruchting, maar alles wat de zwangerschap beïnvloedt, zoals hoge bloeddruk, diabetes, alcohol, medicijnen en ook infecties als rodehond. Wanneer alle organen na die 12 weken eenmaal zijn aangelegd, is de kans dat er nog aangeboren afwijkingen optreden flink kleiner. De vrucht heet vanaf dat moment een ‘foetus’.

Kijk ook bij foetus.