Wat is de betekenis van zeuren?

2019
2021-03-02
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zeuren

zeuren - Werkwoord 1. (inerg) veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken Hij zeurde over een paar punten verschil. zeuren - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zeur Synoniemen zeiken

Lees verder
2018
2021-03-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zeuren

zeuren - regelmatig werkwoord uitspraak: zeu-ren 1. er op een vervelende manier telkens weer over praten of om vragen ♢ de kinderen zeuren om snoep 1. iemand die steeds om hetzelfde vraagt [een zeu...

Lees verder
2015
2021-03-02
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

zeuren

vals spelen Zij zeuren in 't spel en z'hebben daarbij mijn geld gestolen en mijn uurwerk, de deugnieten! vloekte Kretse. (Stijn Streuvels, De oogst) In Algemeen Nederlands betekent 'zeuren' hetzelfde als 'zaniken', wat in Vlaanderen 'zagen' wordt genoemd. Geen Algmeen Nederlands Gangbaarheid:...

Lees verder
2003
2021-03-02
Marga Schiet

MOM's lexicon van de opvoedmisstanden

Zeuren

Het zeuren om snoep zit er gewoon in bij kinderen. Kinderen vinden zoetigheid meestal erg lekker. Maar dat wil niet zeggen dat het zeuren om snoep ook aangeboren is. In de meeste gevallen geven mensen in de omgeving van een kind een extra betekenis aan snoep, waardoor kinderen het ook erg graag willen hebben: 'Ben je gevallen? Nou, dan geeft oma ee...

Lees verder
1973
2021-03-02
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

zeuren

(zeurde, heeft gezeurd) 1. drenzen, lastig zijn; 2. zaniken: die kinderen — maar om uit te gaan.

Lees verder
1950
2021-03-02
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zeuren

(zeurde, heeft gezeurd), 1. een eentonig, vervelend geluid voortbrengen ; 2. langdurig of telkens op vervelende toon of lastige wijze over iets spreken, veelal om zich te beklagen ofwel om een verlangen te uiten, zaniken: hij zeurt maar over zijn asthma; die kinderen zeuren maar om uit te gaan ; niet zeuren, hoor ! ; 3. (Zuidn.) in...

Lees verder
1898
2021-03-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZEUREN

ZEUREN, (zeurde, heeft gezeurd), zaniken, lastig vallen, dwingen, om zijn zin maar te krijgen : die kinderen zeuren maar om uit te gaan; — over iets zeuren, lang spreken over iets;( — Zuidn.) in het spel bedriegen, niet eerlijk spelen, in sommige streken heet dit zuren.

Lees verder