2020-02-25

vuil

vuil - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. met stof of modder of iets anders besmeurd ♢ je nieuwe broek is helemaal vuil 1. vuil werk [werk waar je vuil van wordt] 2. de vuile was buiten hangen [interne problemen bekendmaken] 3. het vuile werk o...

2020-02-25

Vuil

1. in je - schieten, informele, Rotterdamse uitdr. voor ‘gaan slapen’. Vuiltje is overigens soldatenslang voor ‘bed’. 2. loop naar je-e moer, platte verwensing. Marineslang. Vgl. (ouwe) mallemoer. O.a. bij Harmsen. 3. de (-e) week hebben, zie week.

2020-02-25

vuil

vuil - Bijvoeglijk naamwoord 1. niet schoon, bevuild vuil - Zelfstandignaamwoord 1. viezigheid, onreine materie Synoniemen vuiligheid Antoniemen net, proper, rein, schoon, zindelijk

2020-02-25

vuil

Bij Herman Heijermans komt de verwensing stik in je vuil! voor. Zij duidt op minachting, walging, ergernis en vergelijkbare emoties en kan weergegeven worden door ‘bekijk het maar, rot maar op’.

2020-02-25

vuil

I. bn. eD bw. (-er, -st) [Lat. ~ putere, stinken] 1. bedorven : een ei; een -e maag. → ei. 2. onrein, morsig : -e kleren. → hemd, pijp, voet. Tgst. rein. 3. onzuiver : -e lucht. 4. slecht, buiig : weer. → weer. 5. laag, verachtelijk : een -e zaak. 6. onzedelijk : een boek. 7. vies : -e praat. 8. onveilig door banken en klippen: een -e kust.

2020-02-25

Vuil

Het begrip vuil heeft 2 verschillende betekenissen: 1. vuil - VUIL - bn. bw. (-er, -st), onrein, morsig: vuile handen, kleeren hebben, er vuil uitzien; vuile straten, met modder bedekt; zich vuil maken; (spr.) zijne handen ergens niet aan vuil maken, zich met eene vuile zaak niet bemoeien, er zich niet mede inlaten; vuil bewerkt, slordig; — een kleed, vuil snijden, rekenen op het insnijden, zoodat de patronen goed samenkomen; — reeds gebruikt: vuil linnengoed; (drukk.) eene vuile p...