Wat is de betekenis van UITHOUDEN?

2019
2022-01-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

uithouden

uithouden - Werkwoord 1. absoluut het ~ langdurig moeilijkheden verdragen of belasting dragen Mijn auto heeft het daana niet zo lang meer uitgehouden. 2. weghouden van iets Woordherkomst samenstelling van uit(bijwoord) en houden(werkwoord) Verwante begrippen [1] doo...

Lees verder
2018
2022-01-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

uithouden

uithouden - onregelmatig werkwoord uitspraak: uit-hou-den 1. ermee door blijven gaan ♢ ik snap niet hoe jij het bij die mensen uithoudt 2. tot het einde toe verdragen ♢ die pijn is niet uit te h...

Lees verder
1973
2022-01-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

uithouden

(hield uit, heeft uitgehouden), 1. uitgestrekt of uitgespreid houden; 2. tot het eind toe verduren, doorstaan, volhouden: je kunt het hier wel —, je hebt het hier goed; je hebt het daar nog al uitgehouden.

Lees verder
1952
2022-01-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Uithouden

v., úthâlde, forduorje, (út)hurd(zj)e, forneare; het kunnen —, it bankje kinne; het ergens niet kunnen —, earne net duorje, bankje kinne; iets niet kunnen —, eat net kropje kinne; het ergens (van de kou) niet kunnen —, earne net lykhâlde kinne, it earne net goedmei...

Lees verder
1950
2022-01-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Uithouden

(hield uit, heeft uitgehouden), 1. uitgestrekt of uitgespreid houden: zijn arm, een doek, een tafelkleed uithouden. 2. van iets verwijderd, naar buiten houden. 3. ten einde toe verduren, doorstaan, volhouden: hoe houdt hij het uit!; pijn uithouden zonder te schreeuwen; — (scherts.) je kunt het hier wel uithouden, j...

Lees verder
1937
2022-01-22
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

uithouden

hield uit, h. uitgehouden (1 uitgestrekt houden; 2 volhouden, harden): 1. scheepst. hou uit de fok, span het fokzeil uit; 2. gij zult het in dat dorp niet lang kunnen uithouden.

Lees verder
1898
2022-01-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

UITHOUDEN

UITHOUDEN - (hield uit, heeft uitgehouden), uitgespreid houden: een doek, een tafelkleed uithouden; verduren, doorstaan, volhouden : hoe houdt hij het uit !; pijn uithouden, zonder te schreeuwen; — lang bij iem. blijven: gij hebt het daar nog al uitgehouden; gij kunt het hier wel uithouden, gij hebt het hier goed.

Lees verder
1898
2022-01-22
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Uithouden

zie Voorstaan.