Trekken
(trok, heeft en is getrokken), 1. (onoverg.) kracht uitoefenen op iets dat men gevat houdt in de richting naar zich toe, althans in de richting waarin het deel dat men gevat houdt zich moet bewegen of zich beweegt: trek eens een beetje aan het tafelkleed; trekken, Pier! aan zijn baard, aan een lijn, een touw trekken; — (spr.) ...