Wat is de betekenis van Taille?

2019
2022-11-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

taille

taille - Zelfstandignaamwoord 1. het middelste deel van het lichaam De broek zit wat strak rond de taille. Synoniemen middel

Lees verder
2018
2022-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

taille

taille - zelfstandig naamwoord uitspraak: -je 1. smalste deel van je romp ♢ mijn taille is 80 centimeter Zelfstandig naamwoord: -je de taille de tailles ...

Lees verder
2017
2022-11-30
Gert Crum

Champagne compleet

Taille

de tweede persing die 500 liter wijn mag opleveren. De cuvée is de eerste persing, goed voor 2050 liter van 4000 kilo druiven. Bij elkaar mag er dus 2550 liter champagne worden gewonnen uit 4000 kilo druiven. De taille is van mindere kwaliteit dan de cuvée. Er zijn huizen die geen of bijna geen wijnen van de taille verwerken. De taille wordt dan ge...

Lees verder
1994
2022-11-30
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Taille

[Fr., van Lat. talea = afgesneden twijg, kort afgesneden stuk] (vorm van het) bovenlijf, leest, middel.

1993
2022-11-30
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Taille

middel; snit van een kleed (vero ); belasting (gesch.); het afnemen van kaarten (kaartsp.)

1979
2022-11-30
drank

Wijn & drank encyclopedie

Taille

In de Champagne betekent dit woord de tweede persing van de druiven en de volgende, behalve de laatste. De eerste 'taille’ komt overeen met de tweede 'serre’ en de tweede 'taille’ met de derde → serre. Deze most wordt gebruikt voor de produktie van de kwalitatief mindere Champagnes van iedere fabrikant. Alleen...

Lees verder
1973
2022-11-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Taille

[Fr. Lat. talea, afgesneden twijg], v./m. (-s), 1. middelste deel van het lichaam: een smalle hebben; deel van een kledingstuk dat het middel omgeeft: die jas is te nauw in de -. 2. (hist.) een directe belasting in Frankrijk tot de Revolutie geheven; 3. (muziek) uitsparing ongeveer in het midden van de klankkast van strijkinstrumenten, bedoeld om...

Lees verder
1955
2022-11-30
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Taille

lichaamsgestalte, leest; middel van het lichaam; directe belasting in vóór-revolutionair Frankrijk; in kaartspel afgenomen kaarten.

1952
2022-11-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Taille

s., mil, mul; een slanke —, in kliene mul.

1951
2022-11-30
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Taille

taille, middel; snit; lijf, onderlijfje; auf Taille gearbeitet, getailleerd.

1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Taille

(Fr.), v. (-s), 1. snit van een kleed ; 2. maat van kledingstukken, in het groot gemaakt, bij onderlinge vergelijking : van de veld jassen waren drie tailles in voorraad ; 3. gestalte met betr. tot de afmetingen, leest : paarden van kleine taille ; 4. middel van het lichaam : een dunne, fraaie, welgevormde taille hebben ; de wijdte van de taille;...

Lees verder
1949
2022-11-30
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

taille

geselpaal.

1949
2022-11-30
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Taille

in Frankrijk van 15e eeuw af een directe belasting op het inkomen of vermogen, waarvan adel en geestelijkheid waren vrijgesteld.

1948
2022-11-30
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

taille

v. 1 lichaamsgestalte, vorm v. h. bovenlijf; 2 snede ; het afnemen of keren v. d. kaarten (inz. in t farospel), gezamenlijke kaarten, die afgenomen worden; 3 (Kr.) tenor; ~ douce, koperen of stalen plaat, koperof staalgravure.

1947
2022-11-30
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Taille

belasting, die de leenheer van zijn vazallen hief (taille seigneuriale). In de 15de eeuw werd zij in Frankrijk onder Karel VII een regelmatige directe belasting op het vermogen of op het inkomen, die de plaats verving der vroegere buitengewone en onregelmatige lasten (taille royale). Zij was in principe bestemd voor het onderhoud van...

Lees verder
1937
2022-11-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

taille

v. tailles (Fr. [lichaamsgestalte; leest; vorm van het bovenlijf; snit; gordelwijdte; middel v. h. lichaam; japonlijf; gesch. naam ener belasting vóór de grote revolutie in Frankrijk); de taille van een kledingstuk, het bovenlijf er van; lees talje.

1933
2022-11-30
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Taille

Oude Fransche term voor tenor; basse t. = 2e tenor; ook voor tenor-viola en oboe de caccia.

1930
2022-11-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

taille

(‘taljə) v. (-s) [Fr. < tailler, snijden] 1. Eig. snit van een kleed. 2. Metn. lichaamsgestalte, vorm van het bovenlijf inz. bij het middel: een mooie, elegante hebben.

Lees verder
1923
2022-11-30
Pinkhof 1923

Pinkhof geneeskundig woordenboek

Taille

(Fr.), 1. snede, vooral gebezigd voor steensnede; 2. gestalte, leest; T. de guêpe (P. Marie), wespentaille; verdunning van het onderste deel van den romp, een verschijnsel van dystrophia musculorum progressiva, veroorzaakt door atrophie der buikspieren.

1923
2022-11-30
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Taille

(Fr.), 1. snede, vooral gebezigd voor steensnede; 2. gestalte, leest. T. de guêpe (P. Marie), wespentaille; verdunning van het onderste deel van de romp, een verschijnsel van dystrophia musculorum progressiva, veroorzaakt door atrophie der buikspieren.

Lees verder