Wat is de betekenis van Staan?

2024-02-22
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

staan

(1961) (ton.) de tekst niet meer weten. • Staan: de tekst niet meer weten; hij of zij stond. (De Nieuwe Taalgids. Jaargang 54. 1961)

2024-02-22
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

staan

staan - Werkwoord 1. (inerg) zich in verticale toestand van rust bevinden Hij stond al een uur in de rij. 2. (auxl) ~ te: duratief hulpwerkwoord: tijdens het staan iets doen Hij staat buiten te telefoneren. ...

2024-02-22
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

staan

staan - onregelmatig werkwoord 1. op voeten of poten overeind zijn ♢ aan het eind van het concert ging het publiek staan 1. ik sta erop [ik wil per se dat het gebeurt] 2. ik sta...

2024-02-22
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

staan

Van een bod of een doublet: stevig zijn, boven elke kritiek verheven.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-22
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans (2014)

staan

aanstaan, bevallen: Ik staan je nie hè? QUERIDO 4, 15.

2024-02-22
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Staan

zie ook dat staat als een boom; staan als een emmer; staan als een huis; staan als een paal: 1 eraan gaan -, ergens mee beginnen; er iets aan doen. Informele uitdr. Voor citaten, zie ga er maar eens aanstaan. 2 X stond erbij en keek ernaar, X deed helemaal niets, liet het gebeuren over zich heen gaan. Clichégezegde dat vooral opduikt in de geschrev...

2024-02-22
De Tale Kanaäns woordenboek

J. van Delden (1982)

staan

bestaan, in stand blijven.

2024-02-22
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

staan

1. Iem. houden staan, iem. staande houden, tegenhouden, doen blijven staan, aanhouden; als rechtsterm: iem. staande houden ter identificatie (onderscheiden van aanhouden in de bet. arresteren); ook m. betr. t. voertuigen e.d.: doen stilstaan, tot staan brengen enz.; - van pers. m. betr. t. uitspraken: iets houden staan, iets staande h...

2024-02-22
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

staan

staan - in erectie zijn (van het mann. lid). En 't is sulcken ritse veughel, Maer syn kuyfje wil niet staen, (van iem. die impotent is), N. Klucht. Amst. Maneschyn. A 3 v° [1640].

2024-02-22
Lexicon van de Yoga

Helen Knopper (1976)

STAAN

Zie: Tadasana.

2024-02-22
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

staan

(stond, heeft gestaan), (ook:) bij bingo nog maar één vakje open hebben. Ik sta al een kwartier!

2024-02-22
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

staan

gestaan, in regop houding verkeer; op die voete rus; nie gaan of loop nie; pas; jou oprig; geskryf wees.

2024-02-22
Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Uitgeversmaatschappij A. Manteau N.V. (1954)

Staan

kan door velerlei aandoeningen van verschillende organen gestoord zijn: verlamming, gevoelsstoornissen, afwijkingen van het evenwichtsorgaan, van de kleine hersenen (ataxie) enz.

2024-02-22
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Staan

v., stean, s t i e, s t i e n; goed —, (moai) tuge, túgje; ergens aan —, earne op fêst sitte; op het punt —, to wetten stean, yn wetten stean, wêze; zo staat het er voor, sa leit it der ta, sa leit it lân derhinne; zo staat de zaak niet, sa leit it lân net;...

2024-02-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

STAAN

I. (stond, heeft gestaan), overeind zijn, en in bet. die zich hierbij aansluiten. 1. (van personen of dieren) in opgerichte houding op zijn voeten (poten) rusten: haar bood hij een stoel aan, doch mij liet hij staan; hij stond tegen de muur; — overeind, rechtop, krom, scheef, vast, losjes staan; — op zijn tenen staan; — ook...

2024-02-22
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Staan

is het in evenwicht houden van het lichaam in verticale richting met gestrekte benen. Het zwaartepunt van het bovenlichaam ligt loodrecht boven de draaipunten van het heupgewricht. Alleen de mens is hiertoe lange tijd in staat. Het staan wordt mogelijk gemaakt door de lange rugspieren, die door voortdurende aanspanning de wervelkolom rechtop houden...

2024-02-22
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

staan

stond, heeft gestaan; 1. in opgerichte houding op de voeten rusten, ook in oneig., fig. en verzwakte bet.; van dieren: op de poten rusten: op zijn voeten, zijn tenen staan; zegsw. al ging je op je hoofd (of: kop) staan, al deed je iets onmogelijks; ik kon die oude dame toch niet laten staan en bood haar mijn stoel aan; op (de) wacht staan; zie verd...

2024-02-22
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

staan

(sta:n) (stond, heeft gestaan) I. Eig. 1.a. Algm. in opgerichte houding op zijn voeten of op zijn poten rusten : dat kind kan nog niet -; de dronkaard kan niet meer op zijn benen -; hij staat te schrijven; hij heelt schrijven; aan de deur -; de koeien op de weide. Tgst. liggen. →: achterpoot, been, bodem, bres, hemd, ijs, kas, kei, mat, neus,...

2024-02-22
Levende taal verklarend woordenboek

T. Pluim (1921)

Staan

is een afleiding van den wortel stha = vast zijn, stijf zijn, niet bewegen, dus staan. Het woord heeft een talrijke familie; bijv. stad: de plaats, waar men staat, en meer algemeen: plaats; vgl. s/a^houder; bijvorm is stede: stedehouder; in stede van. Te stade komen: hier heeft stade meer de bet. van: plaats, waar men gemakkelijk staan kan, een ges...

2024-02-22
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

staan

(stond, heeft gestaan), 1. in opgerichte houding op zijn voeten rusten (e): gaan —, overeind komen; (van dieren en dingen) op de poten rusten; op zijn tenen —; ook met betrekking tot een omgekeerde houding: al ging je op je kop —, al deed je iets buitengewoons, iets onmogelijks (het gebeurt toch niet); als houding bij een functie...