Wat is de betekenis van Staan?

2020
2021-08-04
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

staan

(1961) (ton.) de tekst niet meer weten. • Staan: de tekst niet meer weten; hij of zij stond. (De Nieuwe Taalgids. Jaargang 54. 1961)

Lees verder
2019
2021-08-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

staan

staan - Werkwoord 1. (inerg) zich in verticale toestand van rust bevinden Hij stond al een uur in de rij. 2. (auxl) ~ te: duratief hulpwerkwoord: tijdens het staan iets doen Hij staat buiten te telefoneren. ...

Lees verder
2018
2021-08-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

staan

staan - onregelmatig werkwoord 1. op voeten of poten overeind zijn ♢ aan het eind van het concert ging het publiek staan 1. ik sta erop [ik wil per se dat het gebeurt] 2. ik sta...

Lees verder
2014
2021-08-04
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

staan

aanstaan, bevallen: Ik staan je nie hè? QUERIDO 4, 15.

1998
2021-08-04
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Staan

zie ook dat staat als een boom; staan als een emmer; staan als een huis; staan als een paal: 1 eraan gaan -, ergens mee beginnen; er iets aan doen. Informele uitdr. Voor citaten, zie ga er maar eens aanstaan. 2 X stond erbij en keek ernaar, X deed helemaal niets, liet het gebeuren over zich heen gaan. Clichégezegde dat vooral opduikt in de geschrev...

Lees verder
1998
2021-08-04
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

staan

Van een bod of een doublet: stevig zijn, boven elke kritiek verheven.

1982
2021-08-04
De Tale Kanaans

J. van Delden

staan

bestaan, in stand blijven.

1977
2021-08-04
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

staan

staan - in erectie zijn (van het mann. lid). En 't is sulcken ritse veughel, Maer syn kuyfje wil niet staen, (van iem. die impotent is), N. Klucht. Amst. Maneschyn. A 3 v° [1640].

Lees verder
1976
2021-08-04
Yoga lexicon

Verklarend handwoordenboek

STAAN

Zie: Tadasana.

1973
2021-08-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

staan

(stond, heeft gestaan), 1. in opgerichte houding op zijn voeten rusten (e): gaan —, overeind komen; (van dieren en dingen) op de poten rusten; op zijn tenen —; ook met betrekking tot een omgekeerde houding: al ging je op je kop —, al deed je iets buitengewoons, iets onmogelijks (het gebeurt toch niet); als houding bij een functie...

Lees verder
1954
2021-08-04
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Staan

kan door velerlei aandoeningen van verschillende organen gestoord zijn: verlamming, gevoelsstoornissen, afwijkingen van het evenwichtsorgaan, van de kleine hersenen (ataxie) enz.

1952
2021-08-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Staan

v., stean, s t i e, s t i e n; goed —, (moai) tuge, túgje; ergens aan —, earne op fêst sitte; op het punt —, to wetten stean, yn wetten stean, wêze; zo staat het er voor, sa leit it der ta, sa leit it lân derhinne; zo staat de zaak niet, sa leit it lân net;...

Lees verder
1950
2021-08-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

STAAN

I. (stond, heeft gestaan), overeind zijn, en in bet. die zich hierbij aansluiten. 1. (van personen of dieren) in opgerichte houding op zijn voeten (poten) rusten: haar bood hij een stoel aan, doch mij liet hij staan; hij stond tegen de muur; — overeind, rechtop, krom, scheef, vast, losjes staan; — op zijn tenen staan; — ook...

Lees verder
1921
2021-08-04
Levende taal

T. Pluim - 1921

Staan

is een afleiding van den wortel stha = vast zijn, stijf zijn, niet bewegen, dus staan. Het woord heeft een talrijke familie; bijv. stad: de plaats, waar men staat, en meer algemeen: plaats; vgl. s/a^houder; bijvorm is stede: stedehouder; in stede van. Te stade komen: hier heeft stade meer de bet. van: plaats, waar men gemakkelijk staan kan, een ges...

Lees verder