Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

staan

betekenis & definitie

staan - onregelmatig werkwoord

1. op voeten of poten overeind zijn
♢ aan het eind van het concert ging het publiek staan
1. ik sta erop
[ik wil per se dat het gebeurt]
2. ik sta achter je
[ik verdedig je]
3. het staat of valt met ....
[het hangt ervan af]
4. je moet daar boven staan
[je er niets van aantrekken]
5. ik sta op het standpunt dat ....
[ik vind dat]
6. dat staat in verband met ....
[dat heeft ermee te maken]
2. in een bepaalde toestand zijn
♢ dat gebouw staat leeg
3. zich bevinden
♢ het eten staat op tafel
1. je baard laten staan
[je niet scheren]
2. die plant staat er goed bij
[ziet er gezond uit]
3. hij staat aan het hoofd
[hij heeft de leiding]
4. ik werk nooit in de tuin, laat staan als het regent
[dus zeker niet als het regent]
5. dat geval staat op zichzelf
[het heeft niet met iets anders te maken]
6. zij staat bekend als ....
[men kent haar zo]
4. opgeschreven of gedrukt
♢ in de krant staat dat de minister gaat bezuinigen
1. ik sta op de foto
[ik ben daarop afgebeeld]
5. bij hem passen
♢ dat pak staat hem goed

Algemene uitdrukkingen:
1. er staat jou nog wat te wachten
[je krijgt nog heel wat te verwerken]
Onregelmatig werkwoord: staan
ik sta
jij/u staat
hij/zij staat
wij/zij/jullie staan
ik/jij/u/hij/zij stond
wij/zij/jullie stonden
hij heeft gestaan
staand, staande

Tegenstellingen
liggen