Wat is de betekenis van Slot?

2024-02-29
Op-en-top Nederlands

Frens Bakker, Els Ruijsendaal, Paul Uljé, Dick van Zijderveld (2022)

slot

(zelfstandig naamwoord) [alg.] ruimte, gaatje, vrij plekje - Voor contact met de PM moet je altijd een gaatje in je agenda maken. [ict] sleuf, connector, insteekplaats - Moderne computers hebben een vrije sleuf nodig voor een uitbreidingskaart. Alles gaat buitenom met USB. [luchtv.] vertrekvenster, tijdvenster, landingsopening - Het aantal...

2024-02-29
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

slot

(17e eeuw) (sch.) vrouwelijk geslachtsdeel. Destijds betekende het ook de mond van de baarmoeder (in deze zin verouderd). Sleutel is dan uiteraard een metafoor voor het mannelijk geslachtsdeel. Een spreuk uit de 17e eeuw: "Hielden de meisjens haar slotje zo gesloten, men zou haar deurtje zo ligt niet open stooten.' • (Hans Heestermans: Erotis...

2024-02-29
Ewoud Sanders woordenboeken

Ewoud Sanders (2019)

Slot

Wie omstreeks 1880 in Gent in een kroeg een slot bestelde, werd niet vreemd aangekeken. Nu wel. Toen was het een gangbaar woord voor 'borrel' - een van 26 Gentse borrel namen die het tijdschrift Noord en Zuid in 1881 in een lijstje opnam. Slot werd in deze betekenis later echter niet opgenomen in het voornaam- ste Gentse woordenboek. Mogelijk werd...

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

slot

slot - zelfstandig naamwoord 1. het laatste gedeelte van iets ♢ aan het slot van de show trad Paul de Leeuw op 1. ten slotte gingen we een patatje halen [als laatste deden we dat] ...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Marc De Coster

Marc de Coster (2007)

Slot

Slot -op slot zitten: geblokkeerd zijn (gezegd van een gewricht).

2024-02-29
Financieel Woordenboek

Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

slot

slot - Jargon voor slotkoers.

2024-02-29
Molenwoordenboek

B.D. Poppen (2000)

Slot

Uitgehakte ruimte voor de tap van een spil.

2024-02-29
Dromen encyclopedie

Fink (1998)

Slot

Degene die over een slot droomt, leeft een beetje in dromenland, en staat boven de realiteit. Het prachtige bouwwerk symboliseert zo nu en dan ook de hoogmoed, die voor de val komt. Wie het slot op een hoge berg ziet liggen, heeft een doel voor ogen dat hij pas na veel inspanning zal bereiken. (Zie ook ‘Deurslot’).

2024-02-29
Woordenboek Nederlandse termen van Bibliotheek en documentaire informatie

dr. P.J. van Swigchem en E.J. Slot (1990)

slot

bij handboekbanden: een meestal uit drie onderdelen bestaande sluiting, uitgevoerd in metaal (messing, zilver e.d.) of in metaal en leer. - boekslot; klamp.

2024-02-29
Woordenboek automatisering

Henk Biemond (1985)

Slot

(1) Paginagebied. Een aaneengesloten gebied op een pagineereenheid, waarin een pagina kan worden opgeslagen (MVS). (2) Een gedeelte van een transmissiekader, dat in een lus wordt verzonden. (3) Een genummerde ruimte met een vaste lengte in een gegevensverzameling met relatieve records, die één gegevensrecord aanvaardt (VSAM).

2024-02-29
Encyclopedie voor Zelfstudie

drs. L.A. Beeloo (1981)

slot

1. Het sleutelslot als beveiliging van deuren en deksels is reeds een oud mechanisme. Het berust op het verschuiven van pallen, waardoor de afsluitende grendel vrijkomt. Het meest gebruikte slot is hier afgebeeld. Het bestaat uit kast, schoot, klavier en sluiting. Past de sleutel, dan grijpt de baard (het voorstuk van de sleutel) bij draaiing preci...

2024-02-29
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

slot

slot - vrouwelijk geslachtsdeel (vgl. sleutel als mann. pendant). Wild altyd zorge droegen, Voor sleutel ende slot, Het Vermakelyke Vrouwe-Tuyntje 40 [1794].

2024-02-29
Biologische encyclopedie

G. Th. van Kempen (1974)

slot

bestaande uit gleuven en tanden in scharnier, waardoor de twee kleppen van ➝ schelpdier aaneensluiten.

2024-02-29
Kerkelijk woordenboek

Professor mag. dr. J.B. Kors o.p. (1967)

Slot

Nederlandsche benaming voor → clausuur.

2024-02-29
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

slot

in slot doen (deed, heeft gedaan), (weinig gebr.) op slot doen. Toen ik de laatste leerling uitgewuifd had en de deuren van de kast in het slot deed zag ik pas hoe mijn handen trilden (Roemer 1982: 47). -Zie ook: op slot. -: op slot, (ook:) 1. (weinig gebr.) niet open voor klanten, gesloten (gezegd van winkel). 2.opgeheven (gezegd van winkel).

2024-02-29
Muziekencyclopedie

S. van Ameringen (1962)

slot

een harmonische verbinding met een tijdelijk of definitief afsluitend effect. Men onderscheidt o.m. het authentieke slot, bestaande uit dominanten tonicaharmonie; het halfslot, bestaande uit tonica- en dominantharmonie; het plagaal! slot, bestaande uit subdominant- en tonicaharmonie; en het bedrieglijk slot, waarbij de dominant gevolgd wordt door h...

2024-02-29
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

slot

middel, toestel om te sluit; deel van vuurwapen waar dit gelaai word; versterkte gebou of kasteel; einde; uitkoms; tenslotte, eindelik.

2024-02-29
Katholicisme encyclopedie

Prof. dr. J.C. Groot (1955)

SLOT

zie Clausuur.

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Slot

s.n.; (kasteel), slot (it), kastiel (it), stins, state; (sluitmiddel), slot (it); (einde), slot (it), ein; op — doen, fêstdwaen, ticht, op it slot dwaen; bij — van rekening, by ein(tsje)bislút, by einsluten, yn it einsluten; ten -te, op ’t lêst.

2024-02-29
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

slot

I. 1. spoor [van hert]; 2. opsporen; II. 1. gleuf, sleuf; sponning; 2. een gleuf of sponning maken in.