Wat is de betekenis van Slot?

2022
2022-06-25
vindpunt

Vindpunt.nl

slot

(zelfstandig naamwoord) [alg.] ruimte, gaatje, vrij plekje - Voor contact met de PM moet je altijd een gaatje in je agenda maken. [ict] sleuf, connector, insteekplaats - Moderne computers hebben een vrije sleuf nodig voor een uitbreidingskaart. Alles gaat buitenom met USB. [luchtv.] vertrekvenster, tijdvenster, landingsopening - Het aantal...

Lees verder
2020
2022-06-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

slot

(17e eeuw) (sch.) vrouwelijk geslachtsdeel. Destijds betekende het ook de mond van de baarmoeder (in deze zin verouderd). Sleutel is dan uiteraard een metafoor voor het mannelijk geslachtsdeel. Een spreuk uit de 17e eeuw: "Hielden de meisjens haar slotje zo gesloten, men zou haar deurtje zo ligt niet open stooten.' • (Hans Heestermans: Erotis...

Lees verder
2018
2022-06-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

slot

slot - zelfstandig naamwoord 1. het laatste gedeelte van iets ♢ aan het slot van de show trad Paul de Leeuw op 1. ten slotte gingen we een patatje halen [als laatste deden we dat] ...

Lees verder
2017
2022-06-25
Marc De Coster

Auteur van o.a. Het Groot Scheldwoordenboek

Slot

Slot -op slot zitten: geblokkeerd zijn (gezegd van een gewricht).

2017
2022-06-25
B.D. Poppen

Schrijver op Ensie

Slot

Uitgehakte ruimte voor de tap van een spil.

2017
2022-06-25
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Slot

Wie omstreeks 1880 in Gent in een kroeg een slot bestelde, werd niet vreemd aangekeken. Nu wel. Toen was het een gangbaar woord voor 'borrel' - een van 26 Gentse borrel namen die het tijdschrift Noord en Zuid in 1881 in een lijstje opnam. Slot werd in deze betekenis later echter niet opgenomen in het voornaam- ste Gentse woordenboek. Mogelijk werd...

Lees verder
2003
2022-06-25
Financieel Woordenboek

Door Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

slot

slot - Jargon voor slotkoers.

1990
2022-06-25
BDI

BDI terminologie

slot

bij handboekbanden: een meestal uit drie onderdelen bestaande sluiting, uitgevoerd in metaal (messing, zilver e.d.) of in metaal en leer. - boekslot; klamp.

Lees verder
1985
2022-06-25
Woordenboek automatisering

Henk Biemond - 1985

Slot

(1) Paginagebied. Een aaneengesloten gebied op een pagineereenheid, waarin een pagina kan worden opgeslagen (MVS). (2) Een gedeelte van een transmissiekader, dat in een lus wordt verzonden. (3) Een genummerde ruimte met een vaste lengte in een gegevensverzameling met relatieve records, die één gegevensrecord aanvaardt (VSAM).

Lees verder
1981
2022-06-25
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

slot

1. Het sleutelslot als beveiliging van deuren en deksels is reeds een oud mechanisme. Het berust op het verschuiven van pallen, waardoor de afsluitende grendel vrijkomt. Het meest gebruikte slot is hier afgebeeld. Het bestaat uit kast, schoot, klavier en sluiting. Past de sleutel, dan grijpt de baard (het voorstuk van de sleutel) bij draaiing preci...

Lees verder
1977
2022-06-25
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

slot

slot - vrouwelijk geslachtsdeel (vgl. sleutel als mann. pendant). Wild altyd zorge droegen, Voor sleutel ende slot, Het Vermakelyke Vrouwe-Tuyntje 40 [1794].

1974
2022-06-25
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

slot

bestaande uit gleuven en tanden in scharnier, waardoor de twee kleppen van ➝ schelpdier aaneensluiten.

1962
2022-06-25
Muziek Encyclopedie

Geschreven door S. van Ameringen (1962)

slot

een harmonische verbinding met een tijdelijk of definitief afsluitend effect. Men onderscheidt o.m. het authentieke slot, bestaande uit dominanten tonicaharmonie; het halfslot, bestaande uit tonica- en dominantharmonie; het plagaal! slot, bestaande uit subdominant- en tonicaharmonie; en het bedrieglijk slot, waarbij de dominant gevolgd wordt door h...

Lees verder
1955
2022-06-25
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

SLOT

zie Clausuur.

1952
2022-06-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Slot

s.n.; (kasteel), slot (it), kastiel (it), stins, state; (sluitmiddel), slot (it); (einde), slot (it), ein; op — doen, fêstdwaen, ticht, op it slot dwaen; bij — van rekening, by ein(tsje)bislút, by einsluten, yn it einsluten; ten -te, op ’t lêst.

1951
2022-06-25
Engels

Woordenboek Engels (1951)

slot

I. 1. spoor [van hert]; 2. opsporen; II. 1. gleuf, sleuf; sponning; 2. een gleuf of sponning maken in.

Lees verder
1950
2022-06-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

SLOT

o. (-en). A) de handeling van sluiten, de toestand dat iets gesloten is; 1. aaneensluiting, hechte samenhang : slot geven, dicht maken ; — een klein kind moet slot aan het lijf hebben, stevig gekleed zijn ; — slot noch val zit er in die jurk, die jurk past niet en hangt heel lelijk ; — (gemeenz.) geen slot...

Lees verder
1948
2022-06-25
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

slot

(Eng.) spleet tussen hoofdvleugel en spleetklep of tussen hoofdvleugel of spleetrolroer.

1937
2022-06-25
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

slot

o. in bet. 1, 2, 3 sloten, slotje, slootje (afl. van sluiten: 1 sluitmiddel van verschillende vorm inz. sluittoestel aan deuren; 2 deel van een vuurwapen, dat dient om het af te schieten; 3 een versterkt gebouw of kasteel; 4 besluit; einde; 5 uitkomst, saldo; 6 zin, grond, reden): 1. een ijzeren, een koperen slot; zegsw. iets achter slot houden, he...

Lees verder
1933
2022-06-25
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Slot

toestel om iets af te sluiten; men onderscheidt hangsloten, waarvan de beugel door 2 oogen of krammen wordt gehaald ; opleg- en inlaatsloten, die geheel i/h hout v/d deur, enz., worden geschroefd en waarvan de schoot i/d sponning schiet als de sleutel wordt om gedraaid; geheime sloten, die slechts zijn te openen met behulp v/e letter- of cijfercomb...

Lees verder