Wat is de betekenis van Plooi?

2018
2021-10-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

plooi

plooi - zelfstandig naamwoord 1. rimpel of vouw in stof, die bij elkaar gehouden wordt ♢ er zijn plooien in de gordijnen gemaakt 1. je gezicht in de plooi trekken [ernstig gaan kijken] ...

Lees verder
2017
2021-10-21
Politie

Jargon & Slang van Politieagenten en rechercheurs

Plooi

Plooi - iemand de plooi geven: Vlaams voor streng behandelen, bijv. iemand een paar peevees geven.

1990
2021-10-21
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

plooi

plooi - Vouwen van een vaststaande, gelijke breedte die worden gemaakt in materialen als textiel of papier door het om te vouwen. Meestal gestikt, soms op zijn plaats geperst.

1973
2021-10-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

plooi

v./m. (-en), 1. vouw of ribbel in een weefsel, veelal aangebracht ter versiering: de plooien van een gordijn, van een rok, een kraag; 2. (geologie) golving in een aardlaag of in gesteente (e); 3. (natuurlijke) golving, rimpel in een deel van het dierlijk of plantaardig organisme: de plooien van de hersenen; (fig.) een lelijke — in zijn karakt...

Lees verder
1952
2021-10-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Plooi

s., ploai, tear, fâld(e); false —, knûker, knûkel, falske tear; met -en, tearich; uit dekomen, út ’e ploai, foegen komme; uit de -en schudden, forronselje.

1950
2021-10-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Plooi

v. (-en), 1. ribbel, rimpel in een stof die ontstaat wanneer die stof niet ver van elkaar heen en weer gevouwen wordt: de plooien van het gordijn, van een rok, van een muts ;daar is een valse plooi in het tafellaken, een die er niet in hoort; — die moet valt juist in de plooi, dus niet in het oog ; — dat...

Lees verder
1933
2021-10-21
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Plooi

1° In stoffen een vouw, naargelang van de wijze van invouwen stolleplooi (ook stolpplooi), platte plooi of waaierplooi genoemd. 2° (Geologie) Men spreekt van plooien, indien de lagen door zijdelingschen druk een gegolfd oppervlak aannemen. Aan de p. onderscheidt men den p l o o i r u g (anticlinale, met een onjuist germanisme ook wel zadel...

Lees verder
1898
2021-10-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Plooi

Plooi v. (-en), vouw : de plooien van het goed; iets in de oude plooien vouwen; — daar is eene valsche plooi in het tafellaken, eene die er niet in hoort; — die moet valt juist in de plooi, dus niet in het oog; — de plooien van een rok, eene muts; de plooien van eene kies; (ontl.) de plooien (of windingen) der hersenen; —...

Lees verder