Wat is de betekenis van nazaat?

2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

nazaat

nazaat - Zelfstandignaamwoord 1. iemand met een specifieke voorouder of specifieke voorouders Hij is een verre nazaat van Karel de Grote. Woordherkomst samenstelling van na en zaat Synoniemen nakomeling Antoniemen voorzaat

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

nazaat

nazaat - zelfstandig naamwoord uitspraak: na-zaat 1. iemand die een bepaalde ander als voorouder heeft ♢ er zijn geen meisjes onder zijn nazaten van mijn opa Zelfstandig naamwoord: na-zaat de nazaat ...

Lees verder
1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

nazaat

m. (-zaten), nakomeling, afstammeling: de nazaten, de nakomelingschap, het nageslacht.

1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Nazaat

s., neikomling, neisiet.

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Nazaat

m. (...zaten), nakomeling, afstammeling; de nazaten, ook collect. de nazaat, de nakomelingschap, het nageslacht.

1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

nazaat

m. nazaten (nakomeling) verg. landzaat.

1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

nazaat

('na:) m. (...zaten) [zaat, ingezetene] 1. Eig. nakomeling. Syn.→ afkomeling. 2. Metn. nakomelingschap.

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nazaat

m. (...zaten), nakomeling, afstammeling; de nazaten, de nakomelingschap, het nageslacht : voor wij onze voorvaderen hier veroordeelen, mogen wij eerst wel eens vragen hoe onze nazaten zullen spreken over onze hooggeroemde wetenschappelijkheid.

1898
2022-10-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Nazaat

zie Afkomeling.