Wat is de betekenis van mouw?

2020
2022-09-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

mouw

deel van een kledingstuk. deel van een kledingstuk dat de arm geheel of gedeeltelijk bedekt. Voorbeelden: Op de mouwen wordt daar bovenop nog een extra katoenen 'hoes' bevestigd, die makkelijk is te vervangen en de levensduur van het pak verhoogt. http://www.technischweekblad.nl/include/techarti/proned30.htm, 2004 D...

Lees verder
2018
2022-09-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

mouw

mouw - zelfstandig naamwoord 1. deel van kledingstuk dat om je arm heen zit ♢de mouw is uit de jas gescheurd 1. daar zullen we wel een mouw aan passen [we vinden wel een oplossing] ...

Lees verder
2004
2022-09-29
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

mouw

- dat is een ander paar mouwen, dat is andere koffie, dat is heel wat anders. Op het Tourtracé geraken kan met de nodige stickers op de voorruit, er weer afraken is een ander paar mouwen. - DS, 16-07-2002 De Leie is een gouden ader in een dal dat uit zijn voegen barst van de economische bedrijvigheid. De waterkwaliteit en het visbesta...

Lees verder
1998
2022-09-29
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Mouw

uit zijn - lullen/pissen zie uitzijn nek/boord/ mouw/nekharen/nekspier lullen/pissen.

Lees verder
1997
2022-09-29
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

mouw

zie pel.

1990
2022-09-29
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

mouw

mouw - Gevormde bedekkingen voor de arm die oorspronkelijk afzonderlijk van de belangrijkste kleding werden gemaakt en eraan werden bevestigd door middel van veters door oogjes die bij de schouders vastzaten. Later vaak gemaakt als onderdeel van kledingstukken.

1954
2022-09-29
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Mouw

is een beengebrek, vooral van veulens, althans jonge paarden, nl. een ontsteking van het achterkniegewricht. Het is moeilijk te genezen.

1952
2022-09-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Mouw

s., mouwe; iem. iets op de — spelden, immen hwat wysmeitsje, yn it ear naeije.

1937
2022-09-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

mouw

v. -en, mouwtje; armbekleedsel als deel v. e. kledingstuk: zegsw. iemand iets op de mouw spelden, iets wijs maken; het (of: ze) achter de mouw hebben, (inz. Z.-N. en dan: in) niet oprecht zijn, schijnheilig; iets uit de mouw schudden, zonder enige inspanning, vlug en onvoorbereid bewijzen van kennis of geestigheid geven; de handen uit de mouwen ste...

Lees verder
1930
2022-09-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

mouw

v. (-en; -tje) 1. Eig. armbekleedsel, meestal als deel van een kledingstuk : wijde, neerhangende, korte -en; de -en van een ➝ hemd; met de ellebogen door de -en; de -en opstropen; met opgeslagen -en; iemand bij de pakken, vatten; een paar losse -en; de monnik met de handen in de -en. Gez. een -. -en aan iets weten te passen, het weten te beredderen...

Lees verder
1921
2022-09-29
Levende taal

T. Pluim - 1921

Mouw

1. Ergens een mouw aanpassen raad voor iets weten, al is 't ook maar schijnbaar. Vroeger droeg men losse mouwen; had men dus een kleed, waarvoor men niet opzettelijk een mouw had laten maken, dan moest men er maar een uit den voorhanden voorraad aan passen, hoe goed of kwaad het ging.2. Iemand iets op de mouw spelden = hem iets wijs maken. (De...

Lees verder
1916
2022-09-29
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Mouw

Mouw, - een uitzetting van het knieschijfgewricht bij jonge paarden. Indien deze uitzetting het gevolg is van een eenvoudige ontsteking van den wand van dit gewricht, kan wel herstel intreden; staat zij echter in verband met een herhaalde en later blijvende zijdelingsche verplaatsing van de knieschijf, dan noemt men haar een klapmouw, wegens het kl...

Lees verder
1864
2022-09-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Mouw

Mouw, v. (-en), deel van een kleedingstuk, armbekleedsel; (fig.) ik weet er geen -en aan te naaijen, ik weet het niet te helpen, ik weet er niets aan te doen; iem. iets op de - spelden, hem iets wijs maken; middelen in de - hebben, geheime middelen weten; het achter de - hebben, slim -, geslepen zijn; dat is een gemaakte -, dat is maar een voorwend...

Lees verder