Wat is de betekenis van maal?

2020
2021-01-26
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

maal

Het begrip maal heeft 2 verschillende betekenissen: 1) keer. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt; keer. Minder gebruikelijk dan keer. 2) maaltijd als activiteit. de handeling of activiteit van het eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt; maaltijd.

Lees verder
2019
2021-01-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

maal

1 maal - Zelfstandignaamwoord 1. (verouderd) tijdstip, tijd (vooral in samenstellingen en afleidingen) 2. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt Dit was de tweede maal dat zijn pet werd afgeblazen door de wind. 2 maal - Zelfstandignaamwoord...

Lees verder
2018
2021-01-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

maal

maal - zelfstandig naamwoord 1. elk moment waarop het gebeurt ♢ik zat voor de eerste maal in een sportwagen 1. dat is ten enen male uitgesloten [absoluut uitgesloten] 2. herhaal...

Lees verder
1950
2021-01-26
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Maal

I. MAAL m. (malen), (hist.) bijna uitsluitend in ’t mv., geërfden, markgenoten. II. MAAL v. (malen), (gew.) koe van anderhalf of twee jaar, die nog niet gekalfd heeft: een neurende maal is een vaars op het einde van de dracht. III. MAAL v. (malen), 1. (veroud.) koffer, reiszak, valies; 2. (Zuidn.) papieren zakje; 3. bezen...

Lees verder
1914
2021-01-26
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

maal

maal, - v., reiszak, koffer; keer; vlek ; o., maaltijd.

1898
2021-01-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Maal

1. Maal v. en o. (malen, maal), keer, reis hoeveel maal of malen ?; voor deze maal nog en dan niet meer; voor dit maal ga heen; ten tweeden male, voor den tweeden keer: telken male, telkens; hij is ten eenen male ongeschikt voor deze betrekking, geheel en al ongeschikt. 2. Maal o. (malen), hoeveelheid melk die ineens gemolken wordt; — (gemee...

Lees verder