Synoniemen van maal

2020-02-28

maal

Het begrip maal heeft 7 verschillende betekenissen: 1) zeer zeker 2) de handeling of activiteit van het eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt; maaltijd 3) telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt; keer 4) ter aanduiding van een vermenigvuldiging 5) een keer is zo goed als niets 6) na een onbekend hoog aantal keren opnieuw 7) voedsel dat men tijdens de maaltijd eet

2020-02-28

maal

maal - zelfstandig naamwoord 1. elk moment waarop het gebeurt ♢ik zat voor de eerste maal in een sportwagen 1. dat is ten enen male uitgesloten [absoluut uitgesloten] 2. herhaalde malen [verschillende keren] 3. eenmaal is geen maal ...

2020-02-28

maal

1 maal - Zelfstandignaamwoord 1. (verouderd) tijdstip, tijd (vooral in samenstellingen en afleidingen) 2. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt Dit was de tweede maal dat zijn pet werd afgeblazen door de wind. 2 maal - Zelfstandignaamwoord 1. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt Elke avond stond er weer een heerlij...

2020-02-28

Maal

1. Maal v. en o. (malen, maal), keer, reis hoeveel maal of malen ?; voor deze maal nog en dan niet meer; voor dit maal ga heen; ten tweeden male, voor den tweeden keer: telken male, telkens; hij is ten eenen male ongeschikt voor deze betrekking, geheel en al ongeschikt. 2. Maal o. (malen), hoeveelheid melk die ineens gemolken wordt; — (gemeenz.) dat is een heel maal, groote hoeveelheid urine die ineens geloosd wordt; — een maaltje doen, urineeren. 3. Maal o. (malen), maaltijd: was hij ook aa...

2020-02-28

maal

maal, - v., reiszak, koffer; keer; vlek ; o., maaltijd.

2020-02-28

maal

I (ma:l) m. (malen) vooral mv. [gemaal] markgenoot. II (ma:l) v. (malen) koe van anderhalf of twee jaar, die nog niet gekalfd heeft. III (ma:l) v. (malen; -tje) [~ mail]. 1. Algm. zak, tas: een vullen. 2. Inz. koffer, reistas, valies: de malen pakken. IV (ma:l) o. (malen; -tje). I. Eig. punt, (merk) teken nl. 1. grensteken, nog bewaard in: akkermaal. 2. vlek, vooral in samenstellingen: ijzer-, moedermaal. II. Metf. [punt in de tijd, tijdstip] 1. Algm. (ook v.) telkens terugkerend tijds...